ECLI:NL:CRVB:2019:1683
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Vaststelling persoonsgebonden budgetten 2013 en 2014 na gedeeltelijke toekenning AWBZ-zorg
Appellante, met een verstandelijke beperking en geïndiceerd voor zorgzwaartepakket VG02, ontving voor 2013 en 2014 persoonsgebonden budgetten (pgb) respectievelijk van €50.374,70 en €45.317,49. Het zorgkantoor stelde deze pgb’s op nihil vast en vorderde de voorschotten terug wegens onduidelijkheid over de besteding en het ontbreken van AWBZ-zorg.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond, stellende dat geen AWBZ-zorg was verleend. In hoger beroep bracht het zorgkantoor een nieuwe standpunt naar voren: de persoonlijke verzorging kan wel als AWBZ-zorg worden aangemerkt, maar de omvang is onzeker. Daarom stelde het zorgkantoor een beredeneerde schatting voor waarbij de helft van de ingekochte zorg wordt goedgekeurd.
De Raad concludeerde dat deze schatting redelijk is en dat appellante hierdoor niet tekort wordt gedaan. Daarom vernietigt de Raad het eerdere vonnis, verklaart het beroep gegrond en stelt het pgb vast op 50% van de oorspronkelijke bedragen, met een overeenkomstige vermindering van de terugvordering. Tevens wordt het betaalde griffierecht aan appellante vergoed.
Uitkomst: Het pgb voor 2013 en 2014 wordt vastgesteld op 50% van de oorspronkelijk verleende bedragen met overeenkomstige vermindering van de terugvordering.