Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CRVB:2019:1718

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
14 mei 2019
Publicatiedatum
23 mei 2019
Zaaknummer
17/7346 PW-PV
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging intrekking en terugvordering bijstand wegens te lang verblijf in buitenland

De Centrale Raad van Beroep behandelde het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam inzake de intrekking en terugvordering van bijstand over de periode van 2 maart 2012 tot en met 12 maart 2012. Appellant verbleef langer dan vier weken buiten Nederland zonder dit te melden, wat in strijd is met de inlichtingenverplichting.

Appellant stelde dat het college onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat hij te lang op vakantie was geweest of dat hij geen geldige reden had, maar deze beroepsgrond werd verworpen. De Raad stelde vast dat appellant zelf had verklaard dat hij van 2 februari tot 12 maart 2012 in de Dominicaanse Republiek verbleef en dit niet had gemeld.

Daarnaast werd het verzoek om kwijtschelding van de schuld afgewezen. Het college hanteert een beleid waarbij geen kwijtschelding wordt verleend als de terugvordering het gevolg is van herhaalde schending van de inlichtingenverplichting. Appellant had niet aangetoond dat hij aan de voorwaarden voor kwijtschelding voldeed en stelde ook geen persoonlijke omstandigheden die afwijking van het beleid rechtvaardigen.

Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de oorspronkelijke uitspraak bevestigd. Er werd geen aanleiding gezien voor een veroordeling in de proceskosten.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de intrekking en terugvordering van bijstand en wijst het verzoek om kwijtschelding af.

Uitspraak

17.7345 PW-PV, 17/7346 PW-PV

Datum uitspraak: 14 mei 2019
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 9 oktober 2017, 17/3641 en 17/3642 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam (college)
Zitting heeft: M. Schoneveld, als lid van de enkelvoudige kamer
Griffier: S.H.H. Slaats
Appellant is niet verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door
mr. H.H.J. ten Hoope.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze beslissing is uitgesproken in het openbaar. Zij is gebaseerd op de volgende overwegingen.
Intrekking en terugvordering
In geschil is de intrekking en terugvordering van bijstand over de periode van 2 maart 2012 tot en met 12 maart 2012 op de grond dat appellant langer dan vier weken verblijf buiten Nederland heeft gehouden.
Appellant heeft aangevoerd dat het college onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat hij te lang op vakantie is geweest of dat hij daarvoor geen geldige reden had. Deze beroepsgrond faalt. Met de rechtbank stelt de Raad vast dat appellant op 19 maart 2012 tegenover een sociaal rechercheur werkzaam bij de Dienst Werk en Inkomen Amsterdam heeft verklaard dat hij op 2 februari 2012 is vertrokken naar, en op 12 maart 2012 is teruggekeerd uit de Dominicaanse Republiek en dat hij dit niet heeft meegedeeld aan het college.
Tegen de terugvordering heeft appellant geen zelfstandige gronden aangevoerd.
Kwijtschelding
In geschil is de afwijzing van het verzoek om kwijtschelding van een schuld van appellant aan het college.
Op grond van een drietal afzonderlijke besluiten tot terugvordering heeft appellant een schuld bij het college. Het college heeft het verzoek om kwijtschelding afgewezen onder verwijzing naar het ter zake door het college gevoerde beleid. Volgens dat beleid ziet het college niet af van (verdere) invordering als de terugvordering meer dan één keer het gevolg is van het niet of niet behoorlijk nakomen van de inlichtingenverplichting. Dit beleid blijft binnen de grenzen van een redelijke beleidsbepaling. Appellant heeft het standpunt van het college dat twee terugvorderingsbesluiten het gevolg zijn van schending van de inlichtingenverplichting niet bestreden. Appellant voldoet daarmee, anders dan hij heeft aangevoerd, niet aan de in het beleid vastgelegde voorwaarden voor kwijtschelding. Met de rechtbank stelt de Raad vast dat appellant geen persoonlijke omstandigheden heeft gesteld, die maken dat het college heeft moeten afwijken van zijn beleid.
Conclusie
Het hoger beroep slaagt niet.
Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.
Waarvan proces-verbaal.
De griffier Het lid van de enkelvoudige kamer
(getekend) S.H.H. Slaats (getekend) M. Schoneveld
lh