ECLI:NL:CRVB:2019:1731
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beoordeling WIA-uitkering en schadevergoeding wegens overschrijding redelijke termijn
Appellant, werkzaam als kok, viel uit op 2 maart 2012 door psychische en fysieke klachten. Het UWV stelde vast dat appellant geen recht heeft op een WIA-uitkering, gebaseerd op een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) en arbeidsdeskundig onderzoek dat drie geschikte functies aanwees. Appellant stelde in bezwaar en beroep dat zijn beperkingen groter waren, onderbouwd met medische rapporten.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond. In hoger beroep bracht appellant aanvullende medische rapporten in. De Raad benoemde een onafhankelijke deskundige die de FML aanpaste en bevestigde dat appellant geschikt is voor de geselecteerde functies, met beperkingen op het gebied van persoonlijk risico (geen beroepsmatig voertuigbestuur). De Raad volgde het oordeel van de deskundige en oordeelde dat het UWV het besluit pas in hoger beroep van een juiste medische grondslag voorzag, waardoor het bestreden besluit formeel ondeugdelijk was maar materieel juist.
De Raad veroordeelde het UWV tot vergoeding van proceskosten en de Staat tot een schadevergoeding van €1.500 wegens overschrijding van de redelijke termijn, die ruim een jaar te lang was. De aangevallen uitspraak werd bevestigd met verbetering van gronden, en het verzoek van appellant werd afgewezen.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en het besluit van het UWV dat appellant geen recht heeft op een WIA-uitkering wordt bevestigd met toekenning van schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn.