ECLI:NL:CRVB:2019:1736
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging terugvordering IOAW-uitkering ondanks financiële moeilijkheden appellant
In deze zaak stond de herziening en terugvordering van een IOAW-uitkering over juni en juli 2016 centraal, waarbij het college de uitkering introk per 1 augustus 2016 en een terugvordering van € 2.009,94 bruto instelde met een aflossingsregeling van € 50 per maand.
De rechtbank Rotterdam verklaarde het beroep van appellant tegen dit besluit ongegrond. In hoger beroep was alleen nog de vraag of het college wegens dringende redenen van terugvordering moest afzien. Appellant voerde aan dat het beleid van het college omtrent dringende redenen onvoldoende gemotiveerd is en dat zijn financiële situatie bijzondere omstandigheden rechtvaardigt.
De Raad oordeelde dat het beleid van het college, neergelegd in de beleidsregels opschorting, intrekking en terug- en invordering Participatiewet, IOAW en IOAZ Rotterdam 2016, voldoende duidelijk en gemotiveerd is. Dringende redenen vereisen bijzondere en uitzonderlijke omstandigheden, zoals ernstige behoeftige situaties van minderjarige gezinsleden.
De financiële situatie van appellant, hoewel krap en met schulden en betalingsregelingen, volstaat niet als bijzondere omstandigheid. De terugvordering leidt niet tot onaanvaardbare sociale of financiële consequenties. Het hoger beroep wordt daarom verworpen en de aangevallen uitspraak bevestigd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de terugvordering van de IOAW-uitkering omdat geen bijzondere omstandigheden zijn aangetoond.