ECLI:NL:CRVB:2019:1753
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering voortzetting nabestaandenuitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid
Appellante ontving een nabestaandenuitkering op grond van de Algemene nabestaandenwet (ANW), die werd ingetrokken nadat haar jongste kind 18 jaar werd. De Sociale verzekeringsbank (Svb) stelde dat appellante minder dan 45% arbeidsongeschikt was, waardoor zij geen recht meer had op de uitkering. Appellante stelde zich op het standpunt dat zij door fibromyalgie en artrose meer beperkt was dan aangenomen en dat haar klachten fluctueren, wat haar inzetbaarheid zou beperken.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond, waarbij zij oordeelde dat de verzekeringsartsen bij het opstellen van de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) voldoende rekening hadden gehouden met haar beperkingen. De Raad herhaalt deze overwegingen en stelt vast dat appellante haar stellingen in hoger beroep niet met medische gegevens heeft onderbouwd. Ook is het verwachte ziekteverzuim niet als excessief aangetoond.
De geselecteerde functies zijn medisch geschikt bevonden en de arbeidsdeskundige heeft dit gemotiveerd. De Raad bevestigt de uitspraak van de rechtbank en wijst het beroep van appellante af. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat appellante minder dan 45% arbeidsongeschikt is en geen recht heeft op voortzetting van de nabestaandenuitkering.