Uitspraak
18.1427 PW
29 januari 2018, 17/3717 (aangevallen uitspraak) en uitspraak op het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade
Centrale Raad van Beroep
Appellant diende op 16 maart 2017 een aanvraag in voor bijstand op grond van de Participatiewet, waarbij hij als hoofdverblijf een adres in [woonplaats] had opgegeven. Na onderzoek door het dagelijks bestuur Werk en Inkomen Lekstroom, waarbij onder meer bankafschriften en verbruiksgegevens werden opgevraagd en een gesprek met appellant plaatsvond, werd geconcludeerd dat appellant niet op het opgegeven adres verbleef.
De rechtbank verklaarde het beroep tegen de afwijzing van de aanvraag ongegrond, omdat appellant zelf had verklaard dat hij zijn spullen en verblijf bij zijn moeder in Utrecht had en niet op het opgegeven adres verbleef. Appellant voerde in hoger beroep aan dat zijn verblijf bij zijn moeder tijdelijk was vanwege ziekte, maar de Raad oordeelde dat hiervan geen sprake was, omdat appellant direct na vertrek uit zijn gemeente zijn spullen bij zijn moeder had geplaatst en niet op het opgegeven adres verbleef.
De Raad bevestigde dat appellant de bewijslast droeg en dat hij niet aannemelijk had gemaakt dat hij zijn hoofdverblijf op het opgegeven adres had. Het hoger beroep werd verworpen en het verzoek om schadevergoeding wegens wettelijke rente werd afgewezen. Er werd geen aanleiding gezien voor een veroordeling in proceskosten.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en de afwijzing van de bijstandsaanvraag wordt bevestigd.