ECLI:NL:CRVB:2019:1784
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging verlaging IOAW-uitkering wegens onvoldoende arbeidsinschakeling
Appellante kreeg een verlaging van haar IOAW-uitkering met 100% voor de duur van één maand opgelegd omdat zij onvoldoende gebruik maakte van een door het dagelijks bestuur aangeboden voorziening gericht op arbeidsinschakeling. Dit volgde uit haar opstelling tijdens een sollicitatiegesprek op 5 oktober 2016, waarbij zij slechts aangaf twee uur per week beschikbaar te zijn voor werk.
Appellante maakte bezwaar tegen deze maatregel, maar het dagelijks bestuur verklaarde het bezwaar ongegrond. De rechtbank Zeeland-West-Brabant bevestigde dit besluit. In hoger beroep stonden de verklaringen van de accountmanager van het Werkgevers Servicepunt en appellante tegenover elkaar, waarbij de rechtbank aannam dat appellante zich inderdaad beperkte tot twee uur per week.
De Centrale Raad van Beroep onderschrijft het oordeel van de rechtbank en bevestigt dat appellante onvoldoende gebruik heeft gemaakt van de aangeboden werkervaringsplek. Het hoger beroep wordt daarom verworpen en er worden geen proceskosten toegekend.
Uitkomst: De verlaging van de IOAW-uitkering met 100% voor één maand wordt bevestigd wegens onvoldoende gebruik van de arbeidsvoorziening.