Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CRVB:2019:1784

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
14 mei 2019
Publicatiedatum
29 mei 2019
Zaaknummer
17/7535 NIOAW-PV
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers (IOAW)
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging verlaging IOAW-uitkering wegens onvoldoende arbeidsinschakeling

Appellante kreeg een verlaging van haar IOAW-uitkering met 100% voor de duur van één maand opgelegd omdat zij onvoldoende gebruik maakte van een door het dagelijks bestuur aangeboden voorziening gericht op arbeidsinschakeling. Dit volgde uit haar opstelling tijdens een sollicitatiegesprek op 5 oktober 2016, waarbij zij slechts aangaf twee uur per week beschikbaar te zijn voor werk.

Appellante maakte bezwaar tegen deze maatregel, maar het dagelijks bestuur verklaarde het bezwaar ongegrond. De rechtbank Zeeland-West-Brabant bevestigde dit besluit. In hoger beroep stonden de verklaringen van de accountmanager van het Werkgevers Servicepunt en appellante tegenover elkaar, waarbij de rechtbank aannam dat appellante zich inderdaad beperkte tot twee uur per week.

De Centrale Raad van Beroep onderschrijft het oordeel van de rechtbank en bevestigt dat appellante onvoldoende gebruik heeft gemaakt van de aangeboden werkervaringsplek. Het hoger beroep wordt daarom verworpen en er worden geen proceskosten toegekend.

Uitkomst: De verlaging van de IOAW-uitkering met 100% voor één maand wordt bevestigd wegens onvoldoende gebruik van de arbeidsvoorziening.

Uitspraak

17.7535 NIOAW-PV

Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 3 november 2017, 17/2729 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[Appellante] te [woonplaats] (appellante)
het dagelijks bestuur van de gemeenschappelijke regeling Samenwerking De Bevelanden (dagelijks bestuur)
Datum uitspraak: 14 mei 2019
Zitting heeft: W.H. Bel
Griffier: J. Tuit
Appellante is verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door
P.A. van de Ven.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze beslissing is uitgesproken in het openbaar. Zij is gebaseerd op de volgende overwegingen.
1. Het gaat in deze zaak om de verlaging van de uitkering op grond van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers (IOAW) van appellante voor de duur van één maand met 100%, omdat appellante door haar opstelling tijdens het sollicitatiegesprek bij het [X] op 5 oktober 2016 niet of onvoldoende gebruik heeft gemaakt van een door het dagelijks bestuur aangeboden voorziening gericht op arbeidsinschakeling, waartoe zij op grond van de IOAW verplicht is.
2. Appellante heeft hiertegen bezwaar gemaakt en het dagelijks bestuur heeft dit bezwaar bij besluit van 15 maart 2017 (bestreden besluit) ongegrond verklaard. De rechtbank heeft het hiertegen ingestelde beroep bij de aangevallen uitspraak ongegrond verklaard.
3. Zowel in bezwaar als in beroep zijn de verschillende zienswijzen van wat zich op 5 oktober 2016 heeft afgespeeld uitgebreid aan de orde gekomen. Twee deelnemers aan dit gesprek hebben hiervan verslag gedaan: de accountmanager van het Werkgevers Servicepunt en appellante. Deze zienswijzen staan lijnrecht tegenover elkaar. In de kern gaat het erom of appellante in het gesprek de indruk heeft gewekt beperkter beschikbaar te zijn voor de werkervaringsplek dan werd aangeboden, door aan te geven maar twee uur per week te kunnen werken. De rechtbank heeft geoordeeld dat aannemelijk is dat appellante zich in het gesprek bij het [X] heeft opgesteld zoals door de accountmanager beschreven. De rechtbank heeft hierbij betrokken dat appellante op 20 oktober 2016 ook tegenover haar klantmanager heeft verklaard dat zij echt maar twee uur per week kan werken.
4. De Raad onderschrijft het oordeel van de rechtbank en de overwegingen waarop dat oordeel berust. Appellante heeft door zich slechts voor twee uur per week beschikbaar te stellen geen gebruik gemaakt van de aangeboden voorziening bij het [X]. Het hoger beroep slaagt dus niet.
5. Voor een veroordeling tot vergoeding van proceskosten bestaat geen aanleiding.
Waarvan proces-verbaal.
De griffier Het lid van de enkelvoudige kamer
(getekend) J. Tuit (getekend) W.H. Bel