ECLI:NL:CRVB:2019:1789
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beëindiging WGA-uitkering na beoordeling functionele mogelijkheden appellant
Appellant, werkzaam als objectleider, meldde zich in 2012 ziek met diverse klachten en ontving vanaf 2014 een loongerelateerde WGA-uitkering. Het UWV beëindigde deze uitkering in 2016 op grond van een lagere mate van arbeidsongeschiktheid dan 35%. Na bezwaar en beroep werd de uitkering voortgezet tot 22 september 2016, waarna deze definitief werd beëindigd.
Appellant voerde aan dat hij op dat moment volledig arbeidsongeschikt was en dat het UWV zijn beperkingen onderschatte, ter onderbouwing overgelegd een psychiatrisch rapport. Het UWV reageerde met een eigen verzekeringsartsrapport. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond en deze uitspraak werd in hoger beroep bevestigd.
De Raad oordeelde dat de beperkingen van appellant medisch objectief niet zo zwaarwegend zijn als door hem gesteld en dat de functionele mogelijkheden adequaat waren vastgesteld. De Raad vond geen aanleiding om de conclusie van de verzekeringsarts in twijfel te trekken en bevestigde dat de beëindiging van de WGA-uitkering correct was.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat de WGA-uitkering van appellant terecht is beëindigd per 22 september 2016.