ECLI:NL:CRVB:2019:1792
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging herbeoordeling WGA-loonaanvullingsuitkering bij 57,68% arbeidsongeschiktheid
Appellante, werkzaam als verzorgende IG, meldde zich in 2009 ziek vanwege fysieke en psychische klachten. Het Uwv kende haar in 2012 een loongerelateerde WGA-uitkering toe met een arbeidsongeschiktheid van 100%. In 2016 vond een herbeoordeling plaats waarbij het arbeidsgeschiktheidspercentage werd vastgesteld op 57,68%. Appellante maakte bezwaar tegen deze vaststelling, maar het Uwv verklaarde dit ongegrond.
De rechtbank bevestigde het besluit van het Uwv, oordeelde dat het medisch onderzoek zorgvuldig was uitgevoerd en dat er geen aanwijzingen waren dat de belastbaarheid van appellante was overschat. De verzekeringsartsen hadden diverse beperkingen vastgesteld, en de geselecteerde functies werden als passend beoordeeld.
In hoger beroep voerde appellante aan dat haar beperkingen onvoldoende waren erkend, met name op het gebied van persoonlijk en sociaal functioneren, en dat de geselecteerde functies niet passend waren. De Raad concludeerde echter dat het door appellante overgelegde expertiserapport onvoldoende aanleiding gaf tot bijstelling van de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML). De verzekeringsartsen hadden een gedegen en gemotiveerd oordeel gegeven, inclusief psychisch onderzoek.
De Raad bevestigde dat de FML en de geschiktheid voor de geselecteerde functies juist waren vastgesteld. Het hoger beroep werd verworpen en de aangevallen uitspraak bevestigd. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de vaststelling van 57,68% arbeidsongeschiktheid en wijst het hoger beroep af.