Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CRVB:2019:1799

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
29 mei 2019
Publicatiedatum
4 juni 2019
Zaaknummer
17/5823 ZW
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 45 ZWHoofdstuk IIIA ZW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Weigering oplegging maatregel wegens benadelingshandeling eigenrisicodrager Ziektewet

Werknemer was werkzaam als schoonmaker bij betrokkene, een eigenrisicodrager in de zin van de Ziektewet. Na beëindiging van de dienstbetrekking meldde werknemer zich met terugwerkende kracht ziek. Betrokkene verzocht het UWV om een maatregel op te leggen wegens een vermeende benadelingshandeling van werknemer, omdat deze niet alles zou hebben gedaan om zijn dienstbetrekking te behouden.

Het UWV weigerde dit verzoek op grond van artikel 45, eerste lid, aanhef en onder j, van de Ziektewet, omdat de eigenrisicodrager toen nog niet expliciet was genoemd als entiteit die benadeeld kon worden. De rechtbank verklaarde dit besluit ongegrond en vernietigde het, waarbij zij oordeelde dat het eigenrisicodragerschap niet relevant was voor de beoordeling van een benadelingshandeling.

In hoger beroep stelde het UWV dat werknemer de fondsen genoemd in artikel 45 niet Pro had benadeeld en dat daarom geen maatregel kon worden opgelegd. De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat het artikel ten tijde van het besluit geen grondslag bood om een maatregel op te leggen aan een eigenrisicodrager. Daarom werd het hoger beroep gegrond verklaard, het vonnis van de rechtbank vernietigd en het beroep tegen het besluit alsnog ongegrond verklaard.

Er werd geen aanleiding gezien voor een veroordeling in de proceskosten.

Uitkomst: Het beroep tegen het besluit van het UWV wordt ongegrond verklaard en de aangevallen uitspraak vernietigd.

Uitspraak

17.5823 ZW

Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van 13 juli 2017, 17/394 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
[betrokkene] te [woonplaats] (betrokkene)
Datum uitspraak: 29 mei 2019
PROCESVERLOOP
Het Uwv heeft hoger beroep ingesteld.
Betrokkene heeft een verweerschrift ingediend.
Partijen hebben desgevraagd niet verklaard gebruik te willen maken van het recht om op een zitting te worden gehoord, waarna het onderzoek is gesloten.

OVERWEGINGEN

1.1.
[werknemer] (werknemer) was werkzaam als schoonmaker in dienst van betrokkene. Zijn dienstbetrekking met betrokkene is per 11 december 2015 beëindigd. Werknemer heeft zich bij brief van 21 januari 2016 met terugwerkende kracht per 22 april 2014 ziek gemeld.
1.2.
Betrokkene is eigenrisicodrager in de zin van hoofdstuk IIIA van de Ziektewet (ZW). Op 4 februari 2016 heeft betrokkene het Uwv met een formulier “Verzoek om een beschikking over de Ziektewet-uitkering” verzocht een besluit af te geven inhoudende de oplegging van een maatregel tot blijvende, gehele weigering van het ziekengeld. Werknemer heeft volgens betrokkene een benadelingshandeling gepleegd omdat werknemer er niet alles aan heeft gedaan om zijn dienstbetrekking te behouden.
1.3.
Bij besluit van 3 november 2016 heeft het Uwv geweigerd een besluit af te geven. Daarbij heeft het Uwv zich op het standpunt gesteld dat geen sprake is van een benadelingshandeling als bedoeld in artikel 45, eerste lid, aanhef en onder j, van de ZW omdat de ZW-eigenrisicodrager niet wordt genoemd in deze bepaling. Het bezwaar van betrokkene tegen dit besluit is door het Uwv bij besluit van 21 december 2016 (bestreden besluit) ongegrond verklaard.
2. De rechtbank heeft het beroep van betrokkene tegen het bestreden besluit bij de aangevallen uitspraak gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en het Uwv opgedragen een nieuw besluit te nemen op het bezwaar. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat het eigenrisicodragerschap van betrokkene alleen relevant is voor de beantwoording van de vraag wie het ziekengeld moet betalen, na vaststelling van de hoogte daarvan door het Uwv op grond van de artikelen 29 en 45 van de ZW. De omstandigheid dat betrokkene een eigenrisicodrager is, is volgens de rechtbank niet relevant voor de beantwoording van de vraag of sprake is van een benadelingshandeling als bedoeld in artikel 45, eerste lid, aanhef en onder j, van de ZW.
3.1.
In hoger beroep heeft het Uwv – kort weergegeven – aangevoerd dat het ziekengeld van werknemer niet ten laste komt van de in artikel 45 genoemde Pro fondsen. Werknemer heeft met zijn doen en laten deze fondsen dan ook niet benadeeld, zodat geen maatregel kan worden opgelegd wegens overtreding van artikel 45, eerste lid, aanhef en onder j, van de ZW.
3.2.
Betrokkene heeft bevestiging van de aangevallen uitspraak bepleit.
4.1.
De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.2.
Bij uitspraak van de Raad van 19 december 2018 (ECLI:NL:CRVB:2018:4150) heeft de Raad geoordeeld dat artikel 45, eerste lid, aanhef en onder j, van de ZW, tot 1 januari 2018 geen grondslag biedt om in gevallen waarin de in die bepaling genoemde fondsen of kas niet worden of kunnen worden benadeeld, het ziekengeld geheel of gedeeltelijk, tijdelijk of blijvend te weigeren.
4.3.
Vastgesteld wordt dat ten tijde van het nemen van het besluit van 3 november 2016, artikel 45, eerste lid, aanhef en onder j, van de ZW nog niet was gewijzigd in die zin dat ook de eigenrisicodrager is vermeld als entiteit die door de verzekerde wordt of kan worden benadeeld. Dit betekent dat het Uwv op goede gronden heeft geweigerd om aan werknemer de door betrokkene verzochte maatregel op te leggen.
4.4.
De overwegingen 4.2 en 4.3 leiden tot de slotsom dat het hoger beroep slaagt zodat de aangevallen uitspraak zal worden vernietigd en het beroep tegen het bestreden besluit alsnog ongegrond zal worden verklaard.
5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep
- vernietigt de aangevallen uitspraak;
- verklaart het beroep tegen het besluit van 21 december 2016 ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door B.J. van de Griend, in tegenwoordigheid van M.A.E. Lageweg als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 29 mei 2019.
(getekend) B.J. van de Griend
(getekend) M.A.E. Lageweg

VC