ECLI:NL:CRVB:2019:1799
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Weigering oplegging maatregel wegens benadelingshandeling eigenrisicodrager Ziektewet
Werknemer was werkzaam als schoonmaker bij betrokkene, een eigenrisicodrager in de zin van de Ziektewet. Na beëindiging van de dienstbetrekking meldde werknemer zich met terugwerkende kracht ziek. Betrokkene verzocht het UWV om een maatregel op te leggen wegens een vermeende benadelingshandeling van werknemer, omdat deze niet alles zou hebben gedaan om zijn dienstbetrekking te behouden.
Het UWV weigerde dit verzoek op grond van artikel 45, eerste lid, aanhef en onder j, van de Ziektewet, omdat de eigenrisicodrager toen nog niet expliciet was genoemd als entiteit die benadeeld kon worden. De rechtbank verklaarde dit besluit ongegrond en vernietigde het, waarbij zij oordeelde dat het eigenrisicodragerschap niet relevant was voor de beoordeling van een benadelingshandeling.
In hoger beroep stelde het UWV dat werknemer de fondsen genoemd in artikel 45 niet Pro had benadeeld en dat daarom geen maatregel kon worden opgelegd. De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat het artikel ten tijde van het besluit geen grondslag bood om een maatregel op te leggen aan een eigenrisicodrager. Daarom werd het hoger beroep gegrond verklaard, het vonnis van de rechtbank vernietigd en het beroep tegen het besluit alsnog ongegrond verklaard.
Er werd geen aanleiding gezien voor een veroordeling in de proceskosten.
Uitkomst: Het beroep tegen het besluit van het UWV wordt ongegrond verklaard en de aangevallen uitspraak vernietigd.