ECLI:NL:CRVB:2019:1851
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging juiste vaststelling arbeidsongeschiktheid en WGA-loonaanvullingsuitkering
Appellante, laatst werkzaam als gedragswetenschapper, werd sinds 2010 ziek gemeld met lichamelijke en psychische klachten. Het Uwv stelde haar arbeidsongeschiktheid vast op 100%, later verlaagd naar 48,45%, en kende haar een WGA-loonaanvullingsuitkering toe. Na bezwaar en beroep verklaarde de rechtbank Den Haag het beroep van appellante ongegrond, stellende dat het medisch onderzoek zorgvuldig was en de beperkingen passend waren vastgesteld.
In hoger beroep voerde appellante aan dat het medisch onderzoek onvolledig en onzorgvuldig was en dat haar beperkingen onvoldoende in de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) waren verwerkt. Zij overlegde aanvullende medische informatie van haar manueeltherapeut. De Raad oordeelde dat deze gronden een herhaling van eerdere bezwaren waren en onderschreef de eerdere bevindingen dat het Uwv zorgvuldig te werk was gegaan.
De Raad stelde vast dat alle klachten van appellante adequaat waren beoordeeld, inclusief informatie van de huisarts en een expertise van Psyon. Onjuiste feitelijkheden in eerdere rapporten beïnvloedden de medische beoordeling niet. De aanvullende medische informatie betrof een latere datum en gaf geen aanleiding tot een ander oordeel. Ook de geschiktheid van de geselecteerde functies werd bevestigd, waarbij het vermeende verbod op werken met machines of handgereedschap niet medisch was onderbouwd.
De Centrale Raad van Beroep verklaarde het hoger beroep ongegrond en bevestigde de uitspraak van de rechtbank. Er werd geen aanleiding gezien voor proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.