Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CRVB:2019:1861

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
27 mei 2019
Publicatiedatum
7 juni 2019
Zaaknummer
17/6491 PW-PV
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 54 lid 3 PWArt. 58 lid 2 aanhef en onder f PW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Terugvordering bijstand wegens ontvangst erfenis na bijstandsperiode

In deze zaak staat de terugvordering van bijstand centraal die aan appellanten is verleend over de periode van 14 augustus 2014 tot en met 3 september 2015. Deze terugvordering is gebaseerd op de ontvangst van een erfenis van € 92.010,68 op 4 september 2015, afkomstig van de in 2011 overleden adoptiemoeder van appellant.

De rechtbank had het besluit van het college vernietigd omdat zij oordeelde dat artikel 54, derde lid, van de Participatiewet ten onrechte was toegepast. De rechtbank stelde zelf vast dat terugvordering op grond van artikel 58, tweede lid, aanhef en onder f, van de Participatiewet mogelijk was, maar vernietigde het besluit toch. De Centrale Raad van Beroep oordeelt anders en stelt dat het college dit artikel wel degelijk als grondslag heeft gebruikt en dat de rechtbank ten onrechte het college in de proceskosten heeft veroordeeld en het griffierecht heeft laten vergoeden.

De Raad bevestigt de vaste rechtspraak dat de aanspraak op een erfdeel ontstaat op het moment van overlijden van de erflater, in dit geval in 2011. Dit betekent dat de erfenis als 'naderhand verkregen middelen' kan worden aangemerkt, waarop de terugvordering van bijstand gebaseerd kan worden. Het college mag daarom de eerder verleende bijstand terugvorderen. Het incidenteel hoger beroep van het college wordt gegrond verklaard, het hoger beroep van appellanten wordt ongegrond verklaard.

Uitkomst: Het college mag de bijstand terugvorderen vanwege de erfenis die na de bijstandsperiode is ontvangen.

Uitspraak

17.6491 PW-PV, 17/7228 PW-PV

Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak op het hoger beroep en het incidenteel hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 16 augustus 2017, 16/5364 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[Appellant] en [Appellante] te [woonplaats] (appellanten)
het college van burgemeester en wethouders van Utrecht (college)
Datum uitspraak: 27 mei 2019
Zitting heeft: M. Hillen, als lid van de enkelvoudige kamer
Griffier: M. Buur
Appellanten zijn, met bericht, niet verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. E. Chahid.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep
- vernietigt de aangevallen uitspraak voor zover de rechtbank daarbij het bestreden besluit heeft vernietigd, het besluit van 30 mei 2016 heeft herroepen voor zover dat ziet op de intrekking van de bijstand over de periode van 14 augustus 2014 tot en met
3 september 2015, het college heeft veroordeeld in de proceskosten van appellanten tot een bedrag van € 1.485,- en heeft bepaald dat het college aan appellanten het betaalde griffierecht van € 46,- vergoedt;
  • verklaart het incidenteel hoger beroep van het college gegrond;
  • verklaart het hoger beroep van appellanten ongegrond.
Deze beslissing is uitgesproken in het openbaar. Zij is gebaseerd op de volgende overwegingen.
1. Tussen partijen is alleen in geding de terugvordering van de aan appellanten verleende bijstand over de periode van 14 augustus 2014 tot en met 3 september 2015 vanwege de ontvangst van een erfenis op 4 september 2015 ten bedrage van € 92.010,68 van de op
[in] 2011 overleden adoptiemoeder van appellant.
2. De rechtbank heeft geoordeeld dat het college hieraan ten onrechte artikel 54, derde lid, van de Participatiewet (PW) ten grondslag heeft gelegd. De rechtbank heeft zelf in de zaak voorzien en geoordeeld dat het college de aan appellanten over de periode van
14 augustus 2014 tot en met 3 september 2015 verleende bijstand op grond van artikel 58, tweede lid, aanhef en onder f, ten eerste, van de PW mocht terugvorderen.
3. Het incidenteel hoger beroep van het college tegen de aangevallen uitspraak slaagt. Anders dan de rechtbank heeft geoordeeld heeft het college wel degelijk artikel 58, tweede lid, aanhef en onder f, van de PW aan zijn besluitvorming ten grondslag gelegd. De rechtbank heeft het college ten onrechte veroordeeld in de door appellanten gemaakte proceskosten en ten onrechte bepaald dat het college het door appellanten betaalde griffierecht dient te vergoeden.
4. Appellanten betwisten niet dat zij op 4 september 2015 een erfenis hebben ontvangen van de op [in] 2011 overleden adoptiemoeder van appellant.
5. Op grond van artikel 58, tweede lid, aanhef en onder f, ten eerste, van de PW kan het college de kosten van bijstand terugvorderen voor zover de belanghebbende naderhand met betrekking tot de periode waarover bijstand is verleend, over in aanmerking te nemen middelen als bedoeld in paragraaf 3.4 van de PW beschikt of kan beschikken. Aan deze bepaling ligt de gedachte ten grondslag dat kosten van bijstand, die niet zouden zijn verleend als de betrokkene al op een eerder tijdstip over naderhand beschikbaar komende middelen had kunnen beschikken, kunnen worden teruggevorderd. Dat achteraf rekening wordt gehouden met die later ontvangen middelen en dat de eerder verleende bijstand wordt teruggevorderd, hangt samen met het aanvullend karakter van de bijstand. Artikel 58, tweede lid, aanhef en onder f, ten eerste, van de PW biedt dan ook een terugvorderingsgrond, indien bepaalde middelen of aanspraken daarop aanwezig zijn, maar de betrokkene daarover feitelijk nog niet of niet volledig kan beschikken. Zodra de betrokkene over die middelen kan beschikken, kan de bijstandverlenende instantie tot terugvordering overgaan.
6. Volgens vaste rechtspraak (uitspraak van 26 juni 2012, ECLI:NL:CRVB:2012:548) ontstaat de aanspraak op een erfdeel – voor de toepassing van artikel 58, tweede lid, aanhef en onder f, van de PW- op het tijdstip van overlijden van de erflater. In het geval van appellanten betekent dit dat de aanspraak op het erfdeel van appellant is ontstaan op [in] 2011.
7. Het voorgaande brengt met zich mee dat de terugvordering in stand blijft.
Waarvan proces-verbaal.
De griffier Het lid van de enkelvoudige kamer
(getekend) M. Buur (getekend) M. Hillen