Uitspraak
17.6491 PW-PV, 17/7228 PW-PV
BESLISSING
- verklaart het incidenteel hoger beroep van het college gegrond;
- verklaart het hoger beroep van appellanten ongegrond.
Vrijdag webinar: live demo van Lexboost
Centrale Raad van Beroep
In deze zaak staat de terugvordering van bijstand centraal die aan appellanten is verleend over de periode van 14 augustus 2014 tot en met 3 september 2015. Deze terugvordering is gebaseerd op de ontvangst van een erfenis van € 92.010,68 op 4 september 2015, afkomstig van de in 2011 overleden adoptiemoeder van appellant.
De rechtbank had het besluit van het college vernietigd omdat zij oordeelde dat artikel 54, derde lid, van de Participatiewet ten onrechte was toegepast. De rechtbank stelde zelf vast dat terugvordering op grond van artikel 58, tweede lid, aanhef en onder f, van de Participatiewet mogelijk was, maar vernietigde het besluit toch. De Centrale Raad van Beroep oordeelt anders en stelt dat het college dit artikel wel degelijk als grondslag heeft gebruikt en dat de rechtbank ten onrechte het college in de proceskosten heeft veroordeeld en het griffierecht heeft laten vergoeden.
De Raad bevestigt de vaste rechtspraak dat de aanspraak op een erfdeel ontstaat op het moment van overlijden van de erflater, in dit geval in 2011. Dit betekent dat de erfenis als 'naderhand verkregen middelen' kan worden aangemerkt, waarop de terugvordering van bijstand gebaseerd kan worden. Het college mag daarom de eerder verleende bijstand terugvorderen. Het incidenteel hoger beroep van het college wordt gegrond verklaard, het hoger beroep van appellanten wordt ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het college mag de bijstand terugvorderen vanwege de erfenis die na de bijstandsperiode is ontvangen.