ECLI:NL:CRVB:2019:189

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
8 januari 2019
Publicatiedatum
22 januari 2019
Zaaknummer
17-6070 PW-PV
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 13 Participatiewet
Verwijzingen
3 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging intrekking bijstand wegens registratie als voortvluchtige

Appellant werd bij besluit van 18 augustus 2016 de bijstand ingetrokken en een bedrag van €167,88 teruggevorderd over de periode van 17 mei 2016 tot en met 31 augustus 2016. Dit besluit was gebaseerd op de registratie van appellant als voortvluchtige sinds 17 mei 2016, omdat hij niet was verschenen op een oproep om zich te melden bij de Penitentiaire Inrichting Nieuwegein.

De rechtbank Midden-Nederland verklaarde het beroep van appellant ongegrond, waarbij werd verwezen naar eerdere jurisprudentie. Appellant had aangevoerd dat hij telefonisch contact had gezocht met het CJIB om een nieuwe datum te verkrijgen, maar dit was niet onderbouwd en hij stond ook na deze datum nog steeds als voortvluchtige geregistreerd.

Appellant voerde in hoger beroep aan dat hij zich niet had onttrokken aan de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf en dat hij niet als voortvluchtige geregistreerd had mogen worden omdat er nog geen opsporingsinspanningen waren verricht. De Raad oordeelde dat het college terecht was uitgegaan van de registratie als voortvluchtige en dat de rechtbank gemotiveerd op de gronden was ingegaan.

De Raad wees het verzoek tot vergoeding van schade af en zag geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten. De uitspraak bevestigt de eerdere beslissing van de rechtbank en onderstreept dat het niet opvolgen van een oproep tot melden leidt tot uitsluiting van bijstand op grond van de Participatiewet.

Uitkomst: De intrekking van bijstand wegens registratie als voortvluchtige wordt bevestigd en het verzoek tot schadevergoeding wordt afgewezen.

Uitspraak

17.6070 PW-PV

Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 18 juli 2017, 17/678 (aangevallen uitspraak) en uitspraak op het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade
Partijen:
[Appellant] te [woonplaats] (appellant)
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Utrecht (college)
Datum uitspraak: 8 januari 2019
Zitting heeft: M. Schoneveld
Griffier: E. Stumpel
Appellant is niet verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door
dhr. C. van den Bergh.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep
- bevestigt de aangevallen uitspraak;
- wijst het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade af.
Deze beslissing is uitgesproken in het openbaar. Zij is gebaseerd op de volgende overwegingen.
1. In geschil is de intrekking van de bijstand van appellant met ingang van 17 mei 2016 en de terugvordering van een bedrag van € 167,88 aan over de periode van 17 mei 2016 tot en met 31 augustus 2016 ten onrechte verstrekte bijstand, vervat in separate besluiten van
18 augustus 2016, die na bezwaar zijn gehandhaafd bij besluit van 29 december 2016 (bestreden besluit). Aan de besluitvorming heeft het college ten grondslag gelegd dat appellant met ingang van 17 mei 2016 als voortvluchtige is geregistreerd, zodat hij op grond van artikel 13, eerste lid, aanhef en onder b, van de Participatiewet geen recht heeft op bijstand.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep ongegrond verklaard. Daartoe heeft de rechtbank onder verwijzing naar de uitspraak van 22 december 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:4834, het volgende overwogen.
2.1.
Vast staat dat eiser bij brief van 30 maart 2016 is opgeroepen om zich op 26 april 2016 voor 10:00 uur te melden bij de Penitentiaire Inrichting Nieuwegein. Ook staat vast dat eiser aan deze oproep geen gevolg heeft gegeven. In dit kader heeft eiser aangevoerd dat hij rond 19 april 2016 telefonisch contact heeft gezocht met het Centraal Justitieel Incassobureau van het Ministerie van Justitie (CJIB) en gevraagd heeft om een nieuwe datum. Volgens eiser is hem meegedeeld dat hij een nieuwe oproep zou krijgen, maar dat hij er rekening mee diende te houden dat dit pas in 2017 zou zijn. Eiser heeft deze stellingen niet onderbouwd. Daar komt bij dat eiser op 9 september 2016 en 12 oktober 2016, dus nadat het door eiser gestelde telefonisch contact met het CJIB had plaatsgevonden, nog steeds als voortvluchtig stond geregistreerd sinds 17 mei 2016. Anders dan eiser, mede onder verwijzing naar de Aanwijzing Executie OM, heeft aangevoerd doet niet ter zake of tegen eiser een arrestatiebevel was uitgevaardigd en/of er tevergeefs opsporingsinspanningen zijn verricht. Vast staat immers dat eiser een oproep heeft gekregen om zich te melden, hij daaraan geen gevolg heeft gegeven en hij daarom als voortvluchtig staat gesignaleerd.
3. Appellant heeft tegen de aangevallen uitspraak - kort gezegd - aangevoerd dat hij zich niet heeft onttrokken aan de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf en dat hij niet in het opsporingsregister als voortvluchtige geregistreerd kon staan, omdat er nog geen opsporingsinspanningen waren verricht. Het college mocht in dit opzicht niet louter afgaan op de vermelding van appellant als voortvluchtige in het Overzicht signalen voor [woonplaats].
4. De gronden die appellant in hoger beroep heeft aangevoerd zijn een herhaling van wat hij in beroep heeft aangevoerd. De rechtbank is gemotiveerd op die gronden ingegaan. Appellant heeft geen redenen aangevoerd waarom de gemotiveerde weerlegging van de betrokken gronden in de aangevallen uitspraak onjuist dan wel onvolledig is. De Raad kan zich geheel vinden in het oordeel van de rechtbank en in de overwegingen, zoals onder 2.1 weergegeven, waarop dat oordeel rust. Hij voegt daaraan nog toe dat uit de informatie die het college bij navraag bij het CJIB in de bezwaarfase op 12 oktober 2016 heeft verkregen ondubbelzinnig blijkt dat appellant met ingang van 17 mei 2016 in het opsporingsregister stond geregistreerd.
5. Hieruit volgt dat geen aanleiding bestaat voor een veroordeling tot vergoeding van schade.
6. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.
Waarvan proces-verbaal.
De griffier De voorzitter
(getekend) E. Stumpel (getekend) M. Schoneveld
md