ECLI:NL:CRVB:2019:189
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking bijstand wegens registratie als voortvluchtige
Appellant werd bij besluit van 18 augustus 2016 de bijstand ingetrokken en een bedrag van €167,88 teruggevorderd over de periode van 17 mei 2016 tot en met 31 augustus 2016. Dit besluit was gebaseerd op de registratie van appellant als voortvluchtige sinds 17 mei 2016, omdat hij niet was verschenen op een oproep om zich te melden bij de Penitentiaire Inrichting Nieuwegein.
De rechtbank Midden-Nederland verklaarde het beroep van appellant ongegrond, waarbij werd verwezen naar eerdere jurisprudentie. Appellant had aangevoerd dat hij telefonisch contact had gezocht met het CJIB om een nieuwe datum te verkrijgen, maar dit was niet onderbouwd en hij stond ook na deze datum nog steeds als voortvluchtige geregistreerd.
Appellant voerde in hoger beroep aan dat hij zich niet had onttrokken aan de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf en dat hij niet als voortvluchtige geregistreerd had mogen worden omdat er nog geen opsporingsinspanningen waren verricht. De Raad oordeelde dat het college terecht was uitgegaan van de registratie als voortvluchtige en dat de rechtbank gemotiveerd op de gronden was ingegaan.
De Raad wees het verzoek tot vergoeding van schade af en zag geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten. De uitspraak bevestigt de eerdere beslissing van de rechtbank en onderstreept dat het niet opvolgen van een oproep tot melden leidt tot uitsluiting van bijstand op grond van de Participatiewet.
Uitkomst: De intrekking van bijstand wegens registratie als voortvluchtige wordt bevestigd en het verzoek tot schadevergoeding wordt afgewezen.