ECLI:NL:CRVB:2019:1906
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beoordeling volledige uitkeringsduur WW voor recht op IOAW-uitkering
Appellanten hadden een WW-uitkering die voortijdig werd beëindigd vanwege emigratie naar het buitenland. Na terugkeer naar Nederland vroegen zij een IOAW-uitkering aan. Het college wees deze aanvraag af omdat appellanten niet de volledige WW-uitkeringsduur hadden doorlopen.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en oordeelde dat de wet vereist dat de volledige uitkeringsduur is genoten. Appellanten voerden in hoger beroep aan dat sinds een wetswijziging in 1995 niet vereist is dat de uitkering volledig is ontvangen, maar dat het bereiken van de uitkeringsduur volstaat.
De Raad stelde vast dat de volledige uitkeringsduur betekent dat het recht op WW-uitkering ononderbroken moet zijn geweest tot het einde van de geldende uitkeringsduur, tenzij het recht op uitkering is herleefd. Omdat het recht van appellanten voortijdig eindigde en niet herleefde, hebben zij niet aan deze voorwaarde voldaan.
De Raad bevestigde dat de wetswijziging van 1995 geen wijziging in de strekking van de regeling bracht. De aanvraag van appellanten werd terecht afgewezen en het hoger beroep werd verworpen. Er werd geen proceskostenveroordeling uitgesproken.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt verworpen omdat appellanten niet de volledige WW-uitkeringsduur hebben bereikt.