ECLI:NL:CRVB:2019:1907
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing IOAW-aanvraag wegens niet bereiken volledige WW-uitkeringsduur
Appellant was van 1999 tot 2006 werkzaam en kreeg een WW-uitkering toegekend van 1 september 2006 tot 31 augustus 2009. Deze uitkering werd beëindigd per 27 november 2006 vanwege emigratie naar Canada. In 2017 vroeg appellant een IOAW-uitkering aan, die door het college werd afgewezen omdat hij niet de volledige WW-uitkeringsduur had bereikt.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en stelde vast dat de voorwaarde voor het bereiken van de volledige uitkeringsduur inhoudt dat de WW-uitkering daadwerkelijk gedurende de volledige termijn moet zijn genoten. Appellant voerde in hoger beroep aan dat sinds een wetswijziging in 1995 het niet meer vereist is dat de uitkering daadwerkelijk is genoten, maar dat het bereiken van de volledige uitkeringsduur volstaat.
De Raad oordeelde dat de volledige uitkeringsduur moet worden begrepen als de periode waarop recht op WW-uitkering bestond en dat dit recht niet voortijdig mag zijn geëindigd zonder herleving. De beëindiging van de WW-uitkering door emigratie betekende dat appellant niet de volledige uitkeringsduur had bereikt. De Raad bevestigde daarom de eerdere uitspraak en wees het verzoek om schadevergoeding af.
Uitkomst: De aanvraag voor een IOAW-uitkering wordt afgewezen omdat appellant niet de volledige WW-uitkeringsduur heeft bereikt.