ECLI:NL:CRVB:2019:1947
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- A. Stehouwer
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking en terugvordering bijstand wegens niet gemelde werkzaamheden in garage
Appellant ontving bijstand over de periode van 15 augustus 2016 tot en met 12 december 2016. Het college van burgemeester en wethouders van Arnhem heeft de bijstand ingetrokken en de kosten van bijstand over die periode teruggevorderd, omdat appellant niet had gemeld dat hij op geld waardeerbare werkzaamheden verrichtte in een garage.
De rechtbank Gelderland verklaarde het beroep van appellant tegen dit besluit ongegrond. De rechtbank oordeelde dat het college aannemelijk had gemaakt dat appellant op meerdere dagen in de garage aan het werk was, waarbij waarnemingen en verklaringen dit bevestigden. Appellant stelde dat hij slechts een ruimte huurde om aan zijn eigen auto te klussen en dat een medewerkster van het wijkteam op de hoogte was van zijn activiteiten, maar dit werd niet onderbouwd.
In hoger beroep betwistte appellant de schending van de inlichtingenplicht en voerde aan dat hij geen inkomsten had genoten en dat er dringende redenen waren om terugvordering te voorkomen. De Raad oordeelde dat deze gronden een herhaling waren van eerdere betwistingen die door de rechtbank waren verworpen en bevestigde het oordeel van de rechtbank. Het hoger beroep werd verworpen en de aangevallen uitspraak bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt verworpen en de intrekking en terugvordering van de bijstand wordt bevestigd.