ECLI:NL:CRVB:2019:1949
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking bijstand wegens schending inlichtingenplicht over contant geld
Appellanten ontvingen sinds 1993 bijstand en werden op 30 juli 2015 op een Nederlandse luchthaven aangetroffen met € 9.990,- contant geld. De Koninklijke Marechaussee meldde dit aan het college van burgemeester en wethouders van Geldrop-Mierlo, waarna een onderzoek werd ingesteld naar de rechtmatigheid van de bijstand. Appellant verklaarde dat het geld afkomstig was van vijf jaar sparen voor onvoorziene omstandigheden en om familie in Marokko te ondersteunen.
Op basis van het onderzoek trok het college de bijstand in en vorderde het de kosten terug, omdat appellanten de inlichtingenplicht hadden geschonden door het bezit van het contante geld niet te melden en de herkomst niet aannemelijk te maken. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en concludeerde dat de onderzoeksbevindingen voldoende waren om de schending van de inlichtingenplicht vast te stellen.
In hoger beroep voerden appellanten aan dat zij het geld gespaard hadden en dat het college de herkomst moest aantonen. De Raad oordeelde dat het bezit van een aanzienlijk contant bedrag duidelijk van invloed is op het recht op bijstand en dat appellanten het college de mogelijkheid tot onderzoek hadden ontnomen. Bovendien slaagden zij er niet in aannemelijk te maken dat het bedrag daadwerkelijk uit spaargeld bestond.
De Centrale Raad van Beroep bevestigt daarom de uitspraak van de rechtbank en verklaart het hoger beroep ongegrond. Er wordt geen proceskostenveroordeling uitgesproken.
Uitkomst: De intrekking van de bijstand wordt bevestigd wegens schending van de inlichtingenplicht over het bezit van contant geld.