ECLI:NL:CRVB:2019:1999
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Intrekking bijstand wegens gezamenlijke huishouding niet gehandhaafd; bijstand alsnog nabetaald
Appellante ontving bijstand die het college van burgemeester en wethouders van Heerhugowaard introk vanwege het niet melden van het voeren van een gezamenlijke huishouding met een partner, waardoor zij ten onrechte bijstand als alleenstaande ontving.
De rechtbank verklaarde het beroep tegen deze intrekking ongegrond, maar de Centrale Raad van Beroep oordeelde dat de beëindiging van de bijstand per 4 november 2015 geen stand kon houden vanwege het ontbreken van een toereikende grondslag voor wederzijdse zorg.
Het college nam daarop een nieuw besluit waarbij de bijstand over de periode van 1 juni 2015 tot en met 21 mei 2016 werd herzien en alsnog toegekend volgens de norm voor een alleenstaande. De Raad vernietigde het bestreden besluit en de aangevallen uitspraak van de rechtbank, herroept het oorspronkelijke besluit en wijst het verzoek tot schadevergoeding af.
Daarnaast veroordeelde de Raad het college tot vergoeding van de proceskosten van appellante, waaronder kosten voor verleende rechtsbijstand en griffierechten.
De uitspraak bevestigt dat het college geen belang meer heeft bij het hoger beroep omdat het aan de bezwaren van appellante tegemoet is gekomen.
Uitkomst: Het besluit tot intrekking van de bijstand wordt vernietigd en de bijstand wordt alsnog toegekend volgens de norm voor een alleenstaande.