ECLI:NL:CRVB:2019:2007

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
5 juni 2019
Publicatiedatum
24 juni 2019
Zaaknummer
18/1511 WSF-PV
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 4:6 AwbWet studiefinanciering 2000
Verwijzingen
3 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging van weigering herziening studiefinanciering 2014 na bezwaar en beroep

Appellante had studiefinanciering ontvangen voor de maanden januari tot en met maart 2014. Na controle heeft de minister de toekenning herzien en een bedrag van €1.612,47 teruggevorderd. Appellante stelde bezwaar tegen deze herziening, dat ongegrond werd verklaard. Vervolgens verzocht zij om terug te komen op deze besluiten, maar dit verzoek werd afgewezen en gehandhaafd na bezwaar.

De rechtbank verklaarde het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond, omdat zij geen nieuwe feiten of veranderde omstandigheden had aangevoerd die een herziening konden rechtvaardigen. De gewijzigde aangifte veranderde niets aan haar inkomen of gewerkte uren in de betreffende periode, en eerdere herstelbesluiten over 2012 en 2013 waren niet relevant voor 2014.

In hoger beroep bracht appellante geen nieuwe gronden naar voren, maar herhaalde slechts eerdere argumenten. De Raad onderschreef de motivering van de rechtbank en bevestigde het bestreden besluit. Er werd geen aanleiding gezien voor een veroordeling in de proceskosten.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het bestreden besluit bevestigd.

Uitspraak

18.1511 WSF-PV

Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 19 december 2017, 17/3776 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellante] te [woonplaats] (appellante)
de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (minister)
Datum uitspraak: 5 juni 2019
Zitting heeft: J. Brand
Griffier: G.D. Alting Siberg
Ter zitting is verschenen: D.M.C. Zijlstra-Cuiper, vertegenwoordiger van de minister.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze beslissing is uitgesproken in het openbaar. Zij is gebaseerd op de volgende overwegingen.
1. De minister heeft aan appellante over de maanden januari tot en met maart 2014 studiefinanciering ingevolge de Wet studiefinanciering 2000 toegekend. In het kader van een controle op rechtmatigheid van de toekenning heeft appellante gegevens met betrekking tot haar inkomsten over deze periode overgelegd. Bij besluit van 30 oktober 2015 heeft de minister naar aanleiding van de overgelegde gegevens de eerdere toekenning herzien en van appellante een bedrag van € 1.612,47 teruggevorderd. Bij besluit van 31 maart 2016 heeft de minister het bezwaar tegen de herziening en terugvordering ongegrond verklaard. Daartegen is geen beroep ingesteld.
2. Eind november 2016 heeft appellante aan de minister verzocht terug te komen van de besluiten van 30 oktober 2015 en 31 maart 2016. Dat verzoek is afgewezen bij besluit van 8 december 2016 en na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 20 april 2017 (bestreden besluit).
3. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Daartoe is overwogen dat appellante in haar verzoek geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden heeft vermeld in de zin van artikel 4:6 van Pro de Algemene wet bestuursrecht. De door appellante ingezonden gewijzigde aangifte verandert niets in haar inkomen en de door haar gewerkte uren over de in geding zijnde periode en is dus geen nieuw feit. Dat de toekenning over 2012 en 2013 na bezwaar is hersteld is evenmin een nieuw feit dat voor de toekenning van 2014 relevant is.
4. Appellante heeft in hoger beroep geen nieuwe gronden naar voren gebracht of redenen vermeld waarom de rechtbank tot een ander oordeel had moeten komen. Wat zij in hoger beroep heeft aangevoerd is een herhaling van een deel van de in beroep aangevoerde gronden.
5. De rechtbank heeft wat in beroep is aangevoerd en in hoger beroep is herhaald in de aangevallen uitspraak afdoende besproken en genoegzaam gemotiveerd waarom die gronden niet leiden tot vernietiging van het bestreden besluit. De Raad onderschrijft de overwegingen ter zake die tot het oordeel in de aangevallen uitspraak hebben geleid. Daaruit volgt dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.
6. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.
Waarvan proces-verbaal.
De griffier Het lid van de enkelvoudige kamer
(getekend) G.D. Alting Siberg (getekend) J. Brand