Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CRVB:2019:2049

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
18 juni 2019
Publicatiedatum
25 juni 2019
Zaaknummer
17/3564 PW
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 5 PWArt. 27 PWArt. 3 Beleidsregels kostendelersnorm Participatiewet 2015 Neder-BetuweArt. 16 Wet op de HuurtoeslagArt. 17 Wet op de Huurtoeslag
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging verlaging bijstandsnorm wegens door derde betaalde woonlasten

Appellanten ontvingen bijstand en woonden aanvankelijk bij de ouders van appellant, later in een stacaravan waarvan de standplaatskosten door de ouders werden betaald. Het college van burgemeester en wethouders van Neder-Betuwe trok de bijstand in en verleende later bijstand met een verlaging van de norm wegens het ontbreken van woonlasten. Appellanten voerden aan dat de ouders de woonlasten als lening voorschoten en dat zij verplicht waren deze terug te betalen zodra zij inkomsten hadden.

De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en de Centrale Raad van Beroep bevestigt deze uitspraak. De Raad oordeelt dat appellanten onvoldoende aannemelijk hebben gemaakt dat zij daadwerkelijk woonkosten hadden of een terugbetalingsverplichting. De door appellanten overgelegde verklaringen en leenovereenkomst tonen slechts financiële ondersteuning, geen daadwerkelijke verplichting tot terugbetaling.

Gelet hierop is de verlaging van de bijstandsnorm terecht toegepast op grond van artikel 27 PW Pro en de beleidsregels van de gemeente Neder-Betuwe. Het hoger beroep slaagt niet en het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen. Er is geen aanleiding voor toewijzing van proceskosten.

Uitkomst: De verlaging van de bijstandsnorm wegens door derden betaalde woonlasten wordt bevestigd en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

Uitspraak

17.3564 PW

Datum uitspraak: 18 juni 2019
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van
26 april 2017, 16/6137 (aangevallen uitspraak) uitspraak op het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade.
Partijen:
[Appellant] en [Appellante] te [woonplaats] (appellanten)
het college van burgemeester en wethouders van Neder-Betuwe (college)
PROCESVERLOOP
Namens appellanten heeft mr. J.A. van Ham, advocaat, hoger beroep ingesteld en een verzoek om schadevergoeding ingediend.
Het college heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 7 mei 2019. Appellanten zijn verschenen, bijgestaan door mr. Van Ham. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door H. Udo.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.
1.1.
Appellanten ontvingen sinds juli 2013 bijstand, laatstelijk ingevolge de Participatiewet (PW) naar de norm voor gehuwden van het college van burgemeester en wethouders van Veenendaal. Sinds juli 2013 woonden appellanten in bij de ouders van appellant op het adres [adres] te [woonplaats] en stonden zij in de gemeentelijke basisadministratie
(nu basisregistratie personen) ingeschreven op dat adres. Vanaf april 2014 verbleven appellanten in een stacaravan op een camping in [plaatsnaam] in de gemeente [gemeente]. Het college van burgemeester en wethouders van [woonplaats] heeft de bijstand van appellanten met ingang van 1 april 2015 ingetrokken op de grond dat zij hun hoofdverblijf in de stacaravan op de camping in [plaatsnaam] hebben.
1.2.
Appellanten hebben zich op 17 juni 2015 gemeld bij het college voor het aanvragen van bijstand naar de norm voor gehuwden en een aanvraag ingediend. Op 7 maart 2016 zijn appellanten verhuisd naar een woning in de gemeente [woonplaats].
1.3.
Bij besluit van 20 juni 2016 heeft het college aan appellanten bijstand toegekend over de periode 17 juni 2015 tot en met 6 maart 2016 (te beoordelen periode). Het college heeft de norm op grond van artikel 27 van Pro de PW verlaagd met het bedrag van de basishuur genoemd in de Wet op de huurtoeslag op de grond dat appellanten in die periode geen woonkosten hebben gehad.
1.4.
Bij besluit van 3 oktober 2016 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar van appellanten tegen het besluit van 20 juni 2016 ongegrond verklaard. Hieraan heeft het college ten grondslag gelegd dat appellanten geen woonkosten hebben gehad. De kosten voor de standplaats van de caravan zijn betaald door de ouders van appellanten. Niet is gebleken dat appellanten deze kosten hebben terugbetaald aan de ouders, noch dat sprake was van een daadwerkelijke terugbetalingsverplichting.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.
3. In hoger beroep hebben appellanten zich tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Appellanten hebben aangevoerd dat zij in de te beoordelen periode wel woonkosten hebben gehad. Omdat zij vanaf 1 april 2015 geen inkomen meer hadden, hebben hun ouders de kosten voor de standplaats van de stacaravan op de camping als lening voorgeschoten. Appellanten waren gehouden die kosten terug te betalen, zodra zij weer over inkomsten zouden beschikken.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1.
Op grond van artikel 5, aanhef en onder c, van de PW bestaat de bijstandsnorm uit de op de betrokkene van toepassing zijnde norm, vermeerderd of verminderd met een door het bestuursorgaan vastgestelde verhoging of verlaging.
4.2.
Op grond van artikel 27 van Pro de PW, voor zover van belang, kan het college de norm lager vaststellen voor zover de belanghebbende lagere algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan heeft dan waarin de norm voorziet als gevolg van zijn woonsituatie, waaronder begrepen het niet aanhouden van een woning. Gelet op de geschiedenis van de totstandkoming van artikel 27 van Pro de PW is van lagere bestaanskosten als gevolg van de woonsituatie niet alleen sprake bij de bewoning van een woning waaraan geen woonlasten zijn verbonden, maar ook ingeval een woning wordt bewoond waaraan voor de bijstandsgerechtigde geen woonkosten zijn verbonden, omdat een derde de woonlasten van de woning betaalt. Als het bestuursorgaan gebruik wil maken van deze verlagingsmogelijkheid, is voor de toepassing daarvan doorslaggevend dat niet jegens een derde woonkosten verschuldigd zijn (Kamerstukken II, 2002-2003, 28 870, nr. 3, p. 53-54).
4.3.
In artikel 3, aanhef en onder a, van de Beleidsregels kostendelersnorm Participatiewet 2015 Neder-Betuwe wordt bepaald dat de verlaging in verband met de woonsituatie, zoals bedoeld in artikel 27 van Pro de wet, het bedrag van de basishuur zoals omschreven in de artikelen 16 en 17 van de Wet op de Huurtoeslag bedraagt als een woning wordt bewoond waarvoor belanghebbende geen woonkosten verschuldigd is.
4.4.
De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat appellanten niet aannemelijk hebben gemaakt dat zij in de te beoordelen periode woonkosten hadden. Appellanten hebben de door hen gestelde verplichting tot het terugbetalen van de door de ouders voorgeschoten woonkosten onvoldoende onderbouwd. Uit de door appellanten overgelegde en achteraf opgestelde verklaringen en leenovereenkomst kan worden afgeleid dat de ouders van appellanten hen financieel hebben ondersteund en de kosten voor de standplaats van de stacaravan hebben betaald, maar niet dat daaruit voor appellanten een daadwerkelijke verplichting tot terugbetaling van woonkosten voortvloeit. Ook hebben appellanten niet aannemelijk gemaakt dat zij de voorgeschoten woonkosten in de te beoordelen periode hebben terugbetaald.
4.5.
Uit 4.1 tot en met 4.4 vloeit voort dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd. Gelet hierop bestaat ook geen grond voor toekenning van schadevergoeding.
5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep
- bevestigt de aangevallen uitspraak;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door M. Hillen, in tegenwoordigheid van S.H.H. Slaats als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 18 juni 2019.
(getekend) M. Hillen
(getekend) S.H.H. Slaats