ECLI:NL:CRVB:2019:2052
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging WGA-vervolguitkering op basis van voldoende medische en arbeidskundige grondslag
Appellant, voormalig pijpfitter, meldde zich ziek wegens rugklachten en vroeg een WIA-uitkering aan. Het UWV kende hem een WGA-vervolguitkering toe op basis van een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) en arbeidsdeskundig onderzoek. Appellant maakte bezwaar tegen dit besluit, dat werd afgewezen door het UWV en de rechtbank Amsterdam.
De rechtbank oordeelde dat het medisch onderzoek zorgvuldig was uitgevoerd en dat de verzekeringsarts beschikking had over relevante medische informatie, waaronder van het OLVG. De rechtbank zag geen aanleiding voor een onafhankelijk medisch onderzoek en vond dat het UWV terecht uitging van de FML en de berekening van het arbeidsongeschiktheidspercentage.
In hoger beroep voerde appellant aan dat de verzekeringsartsen niet over alle medische informatie beschikten en dat de berekening van zijn arbeidsongeschiktheid onjuist was vanwege het aantal gewerkte uren. De Centrale Raad van Beroep verwierp deze bezwaren, bevestigde de juistheid van het medische en arbeidskundige onderzoek en oordeelde dat het hoger beroep niet slaagt.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de toekenning van de WGA-vervolguitkering en wijst het hoger beroep af.