ECLI:NL:CRVB:2019:2057
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beëindiging Ziektewet-uitkering wegens geschiktheid voor lichte functie bevestigd
Appellante was werkzaam als baliemedewerkster en meldde zich ziek in juli 2012. Na beëindiging van haar dienstverband in juni 2013 ontving zij een WIA-uitkering, die werd geweigerd wegens minder dan 35% arbeidsongeschiktheid. In 2016 meldde zij zich opnieuw ziek met psychische klachten en kreeg een Ziektewet-uitkering toegekend. Het UWV beëindigde deze uitkering per 12 september 2016 na een medisch onderzoek waarbij zij geschikt werd geacht voor de functie van inpakster koekjes.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond, stellende dat het medisch onderzoek zorgvuldig was en dat er geen aanwijzingen waren voor onderschatting van haar klachten. Appellante voerde in hoger beroep aan dat de knijpkrachttest onjuist was uitgevoerd en dat haar klachten door CTS en vitamine B12-deficiëntie werden veroorzaakt, maar leverde geen nieuwe medische informatie aan.
De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat het UWV op goede gronden de uitkering heeft beëindigd. De verzekeringsarts bezwaar en beroep had de klachten uitgebreid onderzocht en gemotiveerd dat appellante geschikt was voor lichte arbeid. De Raad bevestigde de uitspraak van de rechtbank en wees het hoger beroep af.
Uitkomst: De Ziektewet-uitkering van appellante is terecht beëindigd omdat zij geschikt is voor lichte arbeid.