ECLI:NL:CRVB:2019:2063
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beëindiging Ziektewetuitkering wegens geschiktheid voor passende functies
Appellant was productiemedewerker en meldde zich in oktober 2011 ziek. Na beëindiging van zijn dienstverband in januari 2012 kreeg hij geen WIA-uitkering omdat hij minder dan 35% arbeidsongeschikt werd geacht. In 2016 ontving appellant ziekengeld op grond van de Ziektewet, maar dit werd per 3 oktober 2016 beëindigd door het UWV, omdat hij geschikt werd geacht voor diverse functies die bij de laatste WIA-beoordeling waren vastgesteld.
Appellant maakte bezwaar tegen dit besluit, maar dit werd ongegrond verklaard. De rechtbank Rotterdam bevestigde dit oordeel, waarbij werd overwogen dat appellant onvoldoende concrete medische onderbouwing had geleverd die zijn belastbaarheid zou verminderen. Wel werd appellant gewezen op de mogelijkheid tot herbeoordeling bij toegenomen beperkingen.
In hoger beroep voerde appellant aan dat hij een herbeoordeling had aangevraagd die gunstig was uitgevallen, maar de Raad concludeerde dat dit geen aanleiding gaf om het eerdere oordeel te wijzigen. Het UWV had het ziekengeld vanaf 3 oktober 2016 niet doorbetaald en pas na een nieuwe ziekmelding weer toegekend. De Raad onderschreef het oordeel dat appellant vanaf die datum geschikt was voor ten minste één passende functie en bevestigde daarmee de beëindiging van de Ziektewetuitkering.
Uitkomst: De Ziektewetuitkering is terecht per 3 oktober 2016 beëindigd omdat appellant geschikt is voor ten minste één passende functie.