Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CRVB:2019:2066

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
26 juni 2019
Publicatiedatum
26 juni 2019
Zaaknummer
16/7777 ZW
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 45 ZW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzoek eigenrisicodrager tot oplegging maatregel wegens benadelingshandeling afgewezen

Werknemer was in dienst van betrokkene, een eigenrisicodrager in de zin van de Ziektewet, en beëindigde zijn dienstverband per 8 januari 2015. Betrokkene verzocht het UWV om een maatregel tot blijvende, gehele weigering van het ziekengeld wegens een vermeende benadelingshandeling, omdat werknemer tijdens ziekte ontslag had genomen. Het UWV wees dit verzoek aanvankelijk toe, maar trok de maatregel later in en kende werknemer alsnog een ZW-uitkering toe.

Betrokkene maakte bezwaar tegen het intrekkingsbesluit, dat het UWV ongegrond verklaarde met het standpunt dat geen sprake was van benadeling van de fondsen zoals bedoeld in artikel 45 ZW Pro, omdat het ziekengeld door de eigenrisicodrager werd verstrekt. De rechtbank vernietigde dit besluit en beval een nieuw besluit te nemen, stellende dat geen onderscheid gemaakt mocht worden tussen werknemers van eigenrisicodragers en anderen.

In hoger beroep stelde het UWV dat het ziekengeld niet ten laste kwam van de in artikel 45 genoemde Pro fondsen en dat werknemer deze fondsen niet had benadeeld. De Raad bevestigde dat artikel 45 ZW Pro ten tijde van het bestreden besluit niet was gewijzigd om eigenrisicodragers als benadeelde entiteit te noemen, waardoor het UWV terecht de maatregel weigerde. De Raad vernietigde de uitspraak van de rechtbank en verklaarde het beroep ongegrond.

Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. De uitspraak werd gedaan door B.J. van de Griend op 26 juni 2019.

Uitkomst: Het beroep tegen het besluit van het UWV wordt ongegrond verklaard en de maatregel tot weigering van ziekengeld wordt niet opgelegd.

Uitspraak

16.7777 ZW

Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 5 december 2016, 16/798 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
[Betrokkene B.V.] te [vestigingsplaats] (betrokkene)
Datum uitspraak: 26 juni 2019
PROCESVERLOOP
Het Uwv heeft hoger beroep ingesteld.
Betrokkene heeft een verweerschrift ingediend.
Partijen hebben desgevraagd niet verklaard gebruik te willen maken van het recht om op een zitting te worden gehoord, waarna het onderzoek is gesloten.

OVERWEGINGEN

1.1.
[naam werknemer] (werknemer) was werkzaam als [naam functie] in dienst van betrokkene. Zijn dienstbetrekking met betrokkene is per 8 januari 2015 beëindigd.
1.2.
Betrokkene is eigenrisicodrager in de zin van Hoofdstuk IIIA van de Ziektewet (ZW). Op 8 mei 2015 heeft betrokkene het Uwv met een formulier “Verzoek om een beschikking over de Ziektewet-uitkering” verzocht een besluit af te geven inhoudende de oplegging van een maatregel tot blijvende, gehele weigering van het ziekengeld. Werknemer heeft volgens betrokkene een benadelingshandeling gepleegd omdat hij tijdens ziekte ontslag heeft genomen.
1.3.
Bij besluit van 22 mei 2015 heeft het Uwv werknemer het ziekengeld geheel en blijvend geweigerd omdat hij door zijn gedrag een benadelingshandeling heeft gepleegd. Bij besluit van 30 juli 2015 heeft het Uwv deze maatregel ingetrokken en heeft het Uwv aan werknemer per 8 januari 2015 een ZW-uitkering toegekend. Het bezwaar van betrokkene tegen het besluit van 30 juli 2015 is door het Uwv bij besluit van 9 december 2015 (bestreden besluit) ongegrond verklaard. Daarbij heeft het Uwv zich op het standpunt gesteld dat geen sprake is van een benadelingshandeling als bedoeld in artikel 45, eerste lid, aanhef en onder j, van de ZW, omdat sprake is van ziekengeldverstrekking door de eigenrisicodrager.
2. De rechtbank heeft het beroep van betrokkene tegen het bestreden besluit bij de aangevallen uitspraak gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en het Uwv opgedragen een nieuw besluit te nemen op het bezwaar. Daartoe heeft de rechtbank – kort weergegeven – overwogen dat niet is gebleken dat onderscheid moet worden gemaakt tussen werknemers van een eigenrisicodrager en overige werknemers.
3.1.
In hoger beroep heeft het Uwv aangevoerd dat het ziekengeld van werknemer niet ten laste komt van de in artikel 45 genoemde Pro fondsen. Werknemer heeft met zijn doen en laten deze fondsen volgens het Uwv dan ook niet benadeeld, zodat geen maatregel kan worden opgelegd wegens overtreding van artikel 45, eerste lid, aanhef en onder j, van de ZW.
3.2.
Betrokkene heeft verzocht de aangevallen uitspraak te bevestigen.
4.1.
De Raad oordeelt als volgt.
4.2.
Bij uitspraak van 19 december 2018 (ECLI:NL:CRVB:2018:4150) heeft de Raad geoordeeld dat artikel 45, eerste lid, aanhef en onder j, van de ZW, tot 1 januari 2018 geen grondslag biedt om in gevallen waarin de in die bepaling genoemde fondsen of kas niet worden of kunnen worden benadeeld, het ziekengeld geheel of gedeeltelijk, tijdelijk of blijvend te weigeren.
4.3.
Vastgesteld wordt dat ten tijde van het nemen van het bestreden besluit artikel 45, eerste lid, aanhef en onder j, van de ZW nog niet was gewijzigd in die zin dat ook de eigenrisicodrager is vermeld als entiteit die door de verzekerde wordt of kan worden benadeeld. Dit betekent dat het Uwv op goede gronden heeft geweigerd om aan werknemer de door betrokkene verzochte maatregel op te leggen.
4.4.
De overwegingen 4.2 en 4.3 leiden tot de slotsom dat het hoger beroep slaagt zodat de aangevallen uitspraak zal worden vernietigd en het beroep tegen het bestreden besluit alsnog ongegrond zal worden verklaard.
5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep
- vernietigt de aangevallen uitspraak;
- verklaart het beroep tegen het besluit van 9 december 2015 ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door B.J. van de Griend, in tegenwoordigheid van P. Boer als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 26 juni 2019.
(getekend) B.J. van de Griend
(getekend) P. Boer

VC