ECLI:NL:CRVB:2019:2155
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkverklaring beroep tegen beëindiging WIA-uitkering wegens ontbreken beroepsgronden
Appellant maakte bezwaar tegen het besluit van het UWV om zijn WIA-uitkering te beëindigen wegens een arbeidsongeschiktheid van minder dan 35%. De rechtbank verklaarde het beroep niet-ontvankelijk omdat het pro forma beroepschrift geen beroepsgronden bevatte en appellant dit niet binnen de hersteltermijn van vier weken had hersteld.
In hoger beroep voerde appellant aan dat hij eerst het dossier wilde ontvangen voordat hij inhoudelijke gronden zou indienen, wat als een verzoek om uitstel werd opgevat. De Raad overwoog echter dat de wettelijke bepalingen vereisen dat de beroepsgronden bij het beroepschrift worden ingediend en dat het uitstelverzoek niet tot een verlenging van de hersteltermijn leidt.
De Raad bevestigde daarom de niet-ontvankelijkverklaring van het beroep en wees op het feit dat de stukken al op tijd waren toegezonden, zodat appellant voldoende gelegenheid had om binnen de termijn te reageren. Er werd geen aanleiding gezien voor het toewijzen van proceskosten.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van tijdig ingediende beroepsgronden.