ECLI:NL:CRVB:2019:2162
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing WIA-uitkering wegens arbeidsongeschiktheid buiten verzekeringsperiode
Appellant was werkzaam als interim controller tot 10 oktober 2013 en emigreerde kort daarna. Hij meldde zich ziek met klachten van de ziekte van Huntington vanaf 1 december 2013, met een vermeende eerdere aanvang van klachten in november 2013. Het UWV weigerde aanvankelijk een Ziektewetuitkering omdat appellant niet binnen vier weken na het einde van zijn dienstverband ziek werd.
Appellant vroeg vervolgens een WIA-uitkering aan met ingang van 1 november 2013, maar het UWV wees dit af omdat hij op dat moment niet verzekerd was voor de Wet WIA. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond, stellende dat niet was gebleken dat appellant eerder dan 1 december 2013 arbeidsongeschikt was.
In hoger beroep stelde appellant dat de ziekte van Huntington al in een eerder stadium was begonnen en dat hij mogelijk al in oktober/november 2013 arbeidsongeschikt was. Hij verzocht om een nader neurologisch onderzoek. De Raad oordeelde dat het UWV een zorgvuldig onderzoek had verricht en dat er geen aanwijzingen waren dat appellant binnen vier weken na het einde van zijn dienstverband arbeidsongeschikt was geworden.
De Raad concludeerde dat appellant arbeidsongeschikt is geworden in een periode waarin hij niet verzekerd was voor de Wet WIA en zag geen reden om een deskundige in te schakelen. Het hoger beroep werd afgewezen en de aangevallen uitspraak bevestigd.
Uitkomst: De aanvraag om een WIA-uitkering wordt afgewezen omdat appellant niet binnen de verzekeringsperiode arbeidsongeschikt is geworden.