Uitspraak
18 241 PW
21 december 2017, 17/3013 (aangevallen uitspraak)
Centrale Raad van Beroep
Appellant vroeg op 11 november 2016 bijstand aan als alleenstaande. Het college van burgemeester en wethouders van Hilversum stelde de aanvraag aanvankelijk buiten behandeling, nam deze later alsnog in behandeling, maar wees de aanvraag af op grond van het standpunt dat appellant een gezamenlijke huishouding voert met X.
De rechtbank vernietigde dit besluit en oordeelde in het voordeel van appellant. Het college ging in hoger beroep en stelde dat er sprake was van een gezamenlijke huishouding, maar kon niet aantonen dat appellant ook zorg droeg voor X. De Raad concludeerde dat het college onvoldoende feitelijke grondslag had om van wederzijdse zorg te spreken, waardoor het besluit niet deugdelijk was gemotiveerd.
Echter, de Raad overwoog dat het college het recht op bijstand ook kon weigeren vanwege het niet verstrekken van voldoende financiële gegevens door appellant, waardoor het recht op bijstand niet kon worden vastgesteld. Dit standpunt werd onderschreven en leidde tot bevestiging van de uitspraak van de rechtbank met verbetering van gronden.
De Raad veroordeelde het college tot vergoeding van de proceskosten van appellant en bepaalde dat het betaalde griffierecht werd vergoed. Tegen deze uitspraak staat cassatie open bij de Hoge Raad.
Uitkomst: De bijstandsaanvraag wordt afgewezen wegens onvoldoende financiële informatie ondanks onvoldoende onderbouwing gezamenlijke huishouding.