ECLI:NL:CRVB:2019:2241
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- R.B. Kleiss
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering herziening WAO-uitkering na vier weken wegens niet tijdige toename arbeidsongeschiktheid
Appellant ontvangt sinds 2004 een WAO-uitkering op basis van een arbeidsongeschiktheid van 35 tot 45%. Na een hartinfarct in maart 2017 meldt appellant een toename van arbeidsongeschiktheid. Het UWV weigert de herziening van de uitkering na vier weken, omdat de toename niet binnen vijf jaar na toekenning of herziening van de uitkering is ingetreden.
Appellant maakt bezwaar tegen dit besluit, dat door het UWV ongegrond wordt verklaard. De rechtbank verklaart het beroep van appellant eveneens ongegrond, stellende dat het UWV juist heeft gehandeld volgens de bepalingen van de WAO, die geen discretionaire bevoegdheid aan het UWV geven voor herziening in dit geval.
In hoger beroep voert appellant aan dat een herbeoordeling in 2007 als herziening moet gelden en dat het UWV in 2012 een beoordeling ten onrechte heeft achterwege gelaten. Ook stelt appellant dat het UWV zijn aanvraag had moeten voorleggen aan de Minister.
De Raad oordeelt dat de herbeoordeling in 2007 niet als herziening in de zin van artikel 39a WAO geldt en dat de toename van arbeidsongeschiktheid in 2017 buiten de vijfjaarstermijn valt. De Raad wijst ook het argument af dat het UWV individuele gevallen aan de Minister moet voorleggen. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd en het hoger beroep wordt ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de weigering van het UWV om de WAO-uitkering na vier weken te herzien wordt bevestigd.