ECLI:NL:CRVB:2019:2321

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
2 juli 2019
Publicatiedatum
16 juli 2019
Zaaknummer
18/860 WWB, 18/878 WWB, 18/885 WWB, 18/889 WWB, 18/890 WWB
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • A. Stehouwer
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
18/860 WWB18/878 WWB18/885 WWB18/889 WWB18/890 WWB
Verwijzingen
1 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging buiten behandeling stelling aanvragen bijzondere bijstand wegens niet overleggen financiële gegevens

Appellante heeft meerdere aanvragen voor bijzondere bijstand ingediend bij het college van burgemeester en wethouders van Leiderdorp. Het college heeft deze aanvragen telkens buiten behandeling gesteld of afgewezen omdat appellante niet de gevraagde financiële gegevens, zoals specificaties van netto maandinkomsten, bewijs van inkomen en vermogen, en pensioenuitkeringen, heeft overgelegd.

De rechtbank heeft deze besluiten eerder bevestigd en verklaarde de beroepen ongegrond. In hoger beroep heeft appellante aangevoerd dat het college al bekend was met haar financiële situatie en dat zij op 25 september 2014, één dag na de gestelde termijn, alsnog documenten heeft ingediend. De Raad oordeelt dat het college terecht om recente financiële gegevens vroeg om een goed inzicht te krijgen in haar situatie, aangezien appellante destijds geen bijstand ontving.

De Raad vindt de late indiening niet voldoende onderbouwd en ziet geen reden om het college te beletten zijn bevoegdheid tot buiten behandeling stelling te gebruiken. Daarom worden de aangevallen uitspraken bevestigd en worden de hoger beroepen ongegrond verklaard.

Uitkomst: De hoger beroepen worden ongegrond verklaard en de aangevallen uitspraken bevestigd.

Uitspraak

18.860 WWB, 18/878 WWB, 18/885 WWB, 18/889 WWB, 18/890 WWB

Datum uitspraak: 2 juli 2019
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op de hoger beroepen tegen de uitspraken van de rechtbank Den Haag van
28 december 2017, 14/4742 (aangevallen uitspraak 1), 14/8361 (aangevallen uitspraak 2), 14/11228 (aangevallen uitspraak 3), 15/2198 (aangevallen uitspraak 4), en 15/2205 (aangevallen uitspraak 5)
Partijen:
[appellante] te [woonplaats] (appellante)
het college van burgemeester en wethouders van Leiderdorp (college)
PROCESVERLOOP
Appellante heeft hoger beroepen ingesteld.
Het college heeft een verweerschrift ingediend.
De zaken zijn ter behandeling aan de orde gesteld op de zitting van 21 mei 2019. Partijen zijn niet verschenen.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.
1.1.
Appellante ontving tot september 2011 bijstand op grond van de Wet werk en bijstand.
1.2.
Appellante heeft op 20 augustus 2013 een aanvraag ingediend op grond van de declaratieregeling maatschappelijke participatie zoals neergelegd in de Beleidsregels bijzondere bijstand en minimaregeling Leiderdorp 2012. Ter beoordeling van deze aanvraag heeft het college bij brieven van 30 oktober en 11 november 2013 aan appellante gevraagd om - uiteindelijk uiterlijk op 25 november 2013 - stukken over te leggen, waaronder specificaties van alle netto maandinkomsten. Bij besluit van 18 november 2013, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 28 april 2014 (bestreden besluit 1), heeft het college de aanvraag van
20 augustus 2013 afgewezen op de grond dat appellante de gevraagde gegevens niet heeft overgelegd.
1.3.
Appellante heeft op 11 februari 2014 een aanvraag ingediend om bijzondere bijstand voor reiskosten en kosten van griffierecht. Bij brief van 14 februari 2014 heeft het college aan appellante gevraagd om voor 28 februari 2014 gegevens te verstrekken, waaronder een recent bewijs van inkomen en vermogen alsook het toekenningsbesluit en specificatie van de laatste drie maanden van de ontvangen pensioenuitkering. In de brief staat ook dat het college kan besluiten de aanvraag niet in behandeling te nemen als appellante de gevraagde gegevens niet tijdig aanlevert. Bij besluit van 12 maart 2014, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van
22 juli 2014 (bestreden besluit 2), heeft het college de aanvraag van 11 februari 2014 buiten behandeling gesteld op de grond dat appellante de gevraagde gegevens niet heeft overgelegd.
1.4.
Appellante heeft op 22 april 2014 veertien aanvragen ingediend om bijzondere bijstand voor reiskosten en kosten van griffierecht. Bij brief van 30 april 2014 heeft het college aan appellante gevraagd om voor 13 mei 2014 gegevens te verstrekken, waaronder een recent bewijs van inkomen en vermogen alsook het toekenningsbesluit en specificatie van de laatste drie maanden van de ontvangen pensioenuitkering. In de brief staat ook dat het college kan besluiten de aanvraag niet in behandeling te nemen als appellante de gevraagde gegevens niet tijdig aanlevert. Bij besluit van 21 mei 2014, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van
28 oktober 2014 (bestreden besluit 3), heeft het college de aanvragen van 22 april 2014 buiten behandeling gesteld op de grond dat appellante de gevraagde gegevens niet heeft overgelegd.
1.5.
Appellante heeft 4 juni 2014 een aanvraag ingediend voor langdurigheidstoeslag. Daarnaast heeft appellante op 13 juni 2014 verschillende aanvragen ingediend om bijzondere bijstand voor reiskosten en kosten van griffierecht. Bij brief van 3 september 2014 heeft het college aan appellante gevraagd om voor 18 september 2014 gegevens te verstrekken, waaronder een recent bewijs van inkomen en vermogen alsook het toekenningsbesluit en specificatie van de laatste drie maanden van de ontvangen pensioenuitkering. In de brief staat ook dat het college kan besluiten de aanvraag niet in behandeling te nemen als appellante de gevraagde gegevens niet tijdig aanlevert. Bij besluit van 24 september 2014, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 10 februari 2015 (bestreden besluit 4), heeft het college de aanvragen van 4 en 13 juni 2014 buiten behandeling gesteld op de grond dat appellante de gevraagde gegevens niet heeft overgelegd.
1.6.
Appellante heeft op 3 september 2014 een aanvraag ingediend om bijzondere bijstand voor de kosten van een medisch advies alsook voor reiskosten in verband met de zorg voor een familielid. Bij brief van 12 september 2014 heeft het college aan appellante gevraagd om voor 25 september 2014 gegevens te verstrekken, waaronder een recent bewijs van inkomen en vermogen. In de brief staat ook dat het college kan besluiten de aanvraag niet in behandeling te nemen als appellante de gevraagde gegevens niet tijdig aanlevert. Bij besluit van 10 oktober 2014, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 10 februari 2015 (bestreden besluit 5), heeft het college de aanvraag van 3 september 2014 buiten behandeling gesteld op de grond dat appellante de gevraagde gegevens niet tijdig heeft overgelegd.
1.7.
Appellante ontvangt sinds 16 september 2014 weer bijstand.
2. Bij de aangevallen uitspraken heeft de rechtbank de beroepen tegen de bestreden besluiten ongegrond verklaard.
3. In hoger beroep heeft appellante zich op hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraken gekeerd.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
Zaken 18/860 WWB, 18/878 WWB, 18/885 WWB en 18/889 WWB (aangevallen uitspraken 1, 2, 3 en 4)
4.1.
Appellante heeft in hoger beroep aangevoerd dat de voor het beoordelen van de aanvragen relevante gegevens over haar inkomen en vermogen bij het college bekend zijn. Zo is bekend bij het college dat zij een pensioenuitkering van € 240,- per maand ontvangt. Daarnaast heeft appellante te kennen gegeven dat zij giften van haar moeder heeft ontvangen. Deze giften zijn niet relevant omdat ze volgens appellante niet het karakter van inkomen hebben en dienen deels als onkostenvergoeding te worden gezien in verband met de door appellante aan haar moeder verleende mantelzorg.
4.2.
De Raad begrijpt uit wat appellante naar voren heeft gebracht dat partijen in hoger beroep alleen nog zijn verdeeld over het antwoord op de vraag of de door het college gevraagde financiële gegevens noodzakelijk waren voor de beoordeling van de aanvraag van
20 augustus 2013 en de behandeling van de aanvragen van 11 februari, 22 april, 4 juni en
13 juni 2014. Deze vraag dient bevestigend te worden beantwoord.
4.3.
Aangezien appellante ten tijde van de aanvragen en tot 16 september 2014 geen bijstand ontving, was het voor het college van belang om inzicht te krijgen in haar financiële situatie. Het college mocht om die reden vragen naar (recente) financiële gegevens, zodat het zich een beeld kon vormen over de wijze waarop appellante in haar levensonderhoud voorzag.
Zaak 18/890 WWB (aangevallen uitspraak 5)
4.4.
Appellante stelt, zo begrijpt de Raad, dat haar aanvraag van 3 september 2014 ten onrechte buiten behandeling is gesteld. In dat verband heeft appellante naar voren gebracht dat zij in de vroege ochtend op 25 september 2014 - zijnde één dag buiten de termijn - een schriftelijke reactie bij de receptie op het gemeentehuis te Leiderdorp heeft afgegeven. Zij stelt dat zij vanwege familiebezoek daartoe niet eerder in de gelegenheid was. Volgens appellante had het college hiermee coulant kunnen omgaan. Deze beroepsgrond slaagt niet.
4.5.
De stelling van appellante dat zij niet eerder dan op 25 september 2014 in de gelegenheid was om de gevraagde gegevens te verstrekken, heeft zij niet onderbouwd. Ook overigens is niet gebleken dat appellante geen hulp heeft kunnen inschakelen ten behoeve van het tijdig indienen van haar aanvraag. Dit maakt dat er geen aanleiding bestaat om te oordelen dat het college niet in redelijkheid van zijn bevoegdheid tot buiten behandeling stelling van de aanvraag gebruik heeft kunnen maken.
Conclusie
4.6.
Gelet op 4.1 tot en met 4.5 slagen de hoger beroepen tegen de aangevallen uitspraken niet, zodat deze uitspraken moeten worden bevestigd.
5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt aangevallen uitspraken 1, 2, 3, 4 en 5.
Deze uitspraak is gedaan door A. Stehouwer, in tegenwoordigheid van M. Buur als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 2 juli 2019.
(getekend) A. Stehouwer
(getekend) M. Buur