ECLI:NL:CRVB:2019:2349
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging niet-ontvankelijkverklaring bezwaar tegen beëindiging Ziektewet-uitkering
Appellant ontving op 27 oktober 2016 een besluit van het UWV waarin zijn Ziektewet-uitkering werd beëindigd omdat hij meer dan 65% van zijn loon kon verdienen. Op 6 december 2016 bezocht appellant het UWV-kantoor en werd namens hem een e-mail gestuurd waarin melding werd gemaakt van een verslechterde medische situatie, maar zonder dat expliciet bezwaar werd gemaakt tegen het besluit.
Appellant stelde dat dit bezoek en de e-mail als een voorlopig bezwaarschrift moesten worden aangemerkt, met de brief van 13 december 2016 als aanvulling. Het UWV verklaarde het bezwaar echter niet-ontvankelijk wegens te late indiening, wat door de rechtbank werd bevestigd.
De Centrale Raad van Beroep oordeelt dat het e-mailbericht geen bezwaar inhoudt omdat het geen uiting geeft van onenigheid met het besluit of de intentie om bezwaar te maken. Ook het bezoek aan het UWV en telefoongesprekken kunnen niet als bezwaar worden aangemerkt. De Raad bevestigt dat schriftelijk bezwaar vereist is en dat de termijn op 9 december 2016 eindigde.
De medische verslechtering werd als verzoek tot heroverweging opgevat, maar leidde niet tot wijziging van het besluit. Het hoger beroep van appellant wordt verworpen en de uitspraak van de rechtbank bevestigd. Er worden geen proceskosten toegewezen.
Uitkomst: Het bezwaar tegen de beëindiging van de Ziektewet-uitkering is niet-ontvankelijk verklaard wegens te late indiening; het hoger beroep wordt verworpen.