ECLI:NL:CRVB:2019:2374
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging terugvordering onverschuldigde Ziektewet-uitkering door UWV
Appellante meldde zich ziek en ontving aanvankelijk een voorschot op een Ziektewet-uitkering. Het UWV stelde later vast dat zij geen recht had op deze uitkering vanaf de ziekmelding. Vervolgens werd het voorschotbedrag teruggevorderd. De rechtbank verklaarde het bezwaar van appellante tegen deze terugvordering ongegrond.
In hoger beroep voerde appellante aan dat het UWV door terugvordering te weigeren in een eerdere zaak een rechtszekerheidsbeginsel had geschonden en dat een verzekeringsarts had geadviseerd terugvordering te voorkomen. De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat het UWV op grond van artikel 33 ZW Pro verplicht is onverschuldigde betalingen terug te vorderen en dat geen dringende reden bestond om hiervan af te zien.
De Raad bevestigde de uitspraak van de rechtbank en wees erop dat het eerdere niet-terugvorderen in een andere zaak niet vergelijkbaar was. Het hoger beroep werd verworpen en de terugvordering gehandhaafd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt verworpen en de terugvordering van de onverschuldigde Ziektewet-uitkering door het UWV bevestigd.