ECLI:NL:CRVB:2019:2439

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
4 juni 2019
Publicatiedatum
24 juli 2019
Zaaknummer
17-3510 PW
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • J.T.H. Zimmerman
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:57 AwbParticipatiewet
Verwijzingen
4 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling college tot vergoeding proceskosten in beroep en hoger beroep inzake individuele inkomenstoeslag

Appellante had bij het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam een aanvraag gedaan voor een individuele inkomenstoeslag op grond van de Participatiewet, welke aanvankelijk werd afgewezen. Na bezwaar handhaving van dit besluit, stelde appellante beroep in bij de rechtbank Rotterdam. Vervolgens herzag het college het besluit en kende alsnog een individuele inkomenstoeslag toe over het toeslagjaar van 3 juni 2015 tot en met 2 juni 2016.

De rechtbank verklaarde het beroep tegen het herroepingsbesluit ongegrond en veroordeelde het college slechts tot vergoeding van de kosten in bezwaar, maar niet tot vergoeding van de proceskosten in beroep. Appellante ging hiertegen in hoger beroep bij de Centrale Raad van Beroep.

De Raad oordeelde dat het college door het alsnog toekennen van de toeslag de redelijkheid van de door appellante gemaakte proceskosten in beroep erkende. De rechtbank had dit niet onderkend, waardoor het vonnis voor vernietiging in aanmerking kwam. De Raad veroordeelde het college tot vergoeding van de proceskosten in beroep en hoger beroep, begroot op respectievelijk € 1.280,- en € 384,-, en tevens tot vergoeding van het betaalde griffierecht van € 124,-.

Uitkomst: Het college wordt veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten in beroep en hoger beroep en het betaalde griffierecht aan appellante.

Uitspraak

17.3510 PW

Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 27 maart 2017, 16/1285 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellante] te [woonplaats] (appellante)
het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam (college)
Datum uitspraak: 4 juni 2019
PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft mr. N. Türkkol, advocaat, hoger beroep ingesteld.
Bij faxbericht van 1 februari 2019 heeft mr. Türkkol een vraag van de Raad beantwoord.
Onder toepassing van artikel 8:57, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is een onderzoek ter zitting achterwege gebleven, waarna de Raad het onderzoek met toepassing van artikel 8:57, derde lid, van de Awb heeft gesloten.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.
1.1.
Bij besluit van 23 juni 2015, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 17 februari 2016 (bestreden besluit 1), heeft het college de aanvraag van appellante om een individuele inkomenstoeslag ingevolge de Participatiewet afgewezen. Appellante heeft tegen bestreden besluit 1 beroep ingesteld.
1.2.
Bij besluit van 16 september 2016 (bestreden besluit 2) heeft het college het besluit van 23 juni 2015 herroepen en appellante over het toeslagjaar, dat loopt van 3 juni 2015 tot en met 2 juni 2016, een individuele inkomenstoeslag van € 50,- toegekend.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen bestreden besluit 2 ongegrond verklaard en het college veroordeeld tot vergoeding van de kosten van appellante in bezwaar.
3. Appellante heeft zich tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1.
In hoger beroep is enkel nog in geschil of de rechtbank bij de aangevallen uitspraak het college had moeten veroordelen tot vergoeding van de proceskosten in beroep.
4.2.
Het college heeft na het instellen van beroep tegen bestreden besluit 1 bij bestreden besluit 2 alsnog een individuele inkomenstoeslag toegekend. Daarmee is gegeven dat appellante de kosten in verband met het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken.
4.3.
De rechtbank heeft dit niet onderkend. Dit heeft tot gevolg dat de aangevallen uitspraak, voor zover daarbij is beslist dat geen aanleiding bestaat voor een proceskostenveroordeling in beroep, voor vernietiging in aanmerking komt. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen, zal de Raad het college veroordelen tot vergoeding van de proceskosten van appellante in beroep. Deze kosten worden begroot op € 1.280,- voor verleende rechtsbijstand (1 punt voor het beroepschrift, 0,5 punt voor de reactie op bestreden besluit 2 op verzoek van de rechtbank en 1 punt voor het verschijnen ter zitting).
5. Tevens bestaat aanleiding om het college te veroordelen in de proceskosten van appellante in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 384,- voor verleende rechtsbijstand (1 punt voor het hoger beroepschrift, 0,5 punt voor de reactie van 1 februari 2019, wegingsfactor 0,5).

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep
  • vernietigt de aangevallen uitspraak voor zover daarbij het college niet is veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten in beroep;
  • veroordeelt het college in de proceskosten van appellante in beroep en hoger beroep tot een bedrag van € 1.664,-;
  • bepaalt dat het college aan appellante het in hoger beroep betaalde griffierecht van € 124,- vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door J.T.H. Zimmerman, in tegenwoordigheid van A.M. Pasmans als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 4 juni 2019.
(getekend) J.T.H. Zimmerman
(getekend) A.M. Pasmans
md