ECLI:NL:CRVB:2019:2447
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek voorlopige voorziening in hoger beroep WIA-uitkering
Verzoeker, voormalig voorzitter van het College van Bestuur van een instelling, ontving een WGA-uitkering na arbeidsongeschiktheid. Hij maakte bezwaar tegen de mate van arbeidsongeschiktheid en vorderde een IVA-uitkering. De rechtbank verklaarde het bezwaar gegrond en stelde een urenbeperking vast, waarna het UWV werd opgedragen een nieuwe beslissing te nemen. Het UWV gaf hieraan geen uitvoering en kwam in hoger beroep tegen de uitspraak.
Verzoeker stelde een incidenteel hoger beroep in en verzocht om een voorlopige voorziening vanwege zijn financiële situatie, omdat zijn WGA-uitkering per 10 maart 2019 was geëindigd en hij een lagere vervolguitkering ontvangt. De voorzieningenrechter oordeelde dat er geen sprake was van onverwijlde spoed, omdat de financiële situatie van verzoeker geen spoedeisend belang oplevert. Zijn inkomen ligt boven het bestaansminimum en hij kan de bodemprocedure afwachten.
Daarom wees de voorzieningenrechter het verzoek om een voorlopige voorziening af zonder zitting en zonder proceskostenveroordeling. De uitspraak werd gedaan op 24 juli 2019 door de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep.
Uitkomst: Het verzoek om een voorlopige voorziening wordt afgewezen wegens het ontbreken van onverwijlde spoed en een financieel spoedeisend belang.