ECLI:NL:CRVB:2019:2455
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Geen recht op ziekengeld wegens geschiktheid voor maatgevende arbeid na ziekmelding
Appellante was werkzaam als medewerker tuinbouw en meldde zich op 28 april 2014 ziek. Het UWV beëindigde haar Ziektewetuitkering per 28 mei 2015 omdat zij meer dan 65% van haar loon kon verdienen in andere functies. Op 8 september 2016 meldde zij zich opnieuw ziek met lichamelijke en psychische klachten. Na een verzekeringsgeneeskundig onderzoek stelde het UWV vast dat zij geschikt was voor maatgevende arbeid en geen recht had op ziekengeld.
Appellante voerde in hoger beroep aan dat haar klachten niet volledig waren meegenomen en dat de functionele mogelijkhedenlijst (FML) onjuist was vastgesteld. Zij overhandigde medische verklaringen van haar huisarts, GZ-psycholoog en orthopedisch chirurg ter onderbouwing. De Raad oordeelde dat het verzekeringsgeneeskundig onderzoek zorgvuldig was en dat de medische informatie geen aanleiding gaf tot een ander oordeel.
De Raad benadrukte dat bij de beoordeling van het recht op ziekengeld de maatgevende arbeid geldt en dat het niet noodzakelijk is om bij een Ziektewetbeoordeling een FML op te stellen. De beperkingen van appellante stonden niet in de weg aan het verrichten van de geselecteerde functies. De Raad bevestigde daarom het besluit van het UWV en de uitspraak van de rechtbank, en wees het hoger beroep af.
Uitkomst: Appellante heeft geen recht op ziekengeld omdat zij per 8 september 2016 geschikt is voor haar maatgevende arbeid.