ECLI:NL:CRVB:2019:2493
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging buiten behandeling stelling aanvraag bijstand wegens niet overleggen bankafschriften
Appellant heeft zich op 4 april 2017 gemeld voor bijstand op grond van de Participatiewet, maar heeft niet voldaan aan het verzoek om uiterlijk 1 mei 2017 bankafschriften te overleggen. Het college stelde de aanvraag buiten behandeling op grond van artikel 4:5 Awb Pro. Appellant maakte bezwaar tegen de ingangsdatum van de bijstand die later werd toegekend, omdat hij meende dat bijzondere omstandigheden een eerdere ingangsdatum rechtvaardigden.
De rechtbank oordeelde dat het college het motiveringsgebrek in het buiten behandeling stellen moest herstellen en wees het bezwaar tegen de ingangsdatum af. Appellant voerde in hoger beroep aan dat hem tijdens het intakegesprek was gezegd dat hij de bankafschriften later mocht inleveren, en dat de eerste aanvraag ten onrechte buiten behandeling was gesteld.
De Raad concludeert dat appellant dit niet met objectieve en verifieerbare gegevens heeft onderbouwd en dat het formulier, ondertekend door beide partijen, duidelijk een deadline van 1 mei 2017 vermeldt. Het college heeft de aanvraag terecht buiten behandeling gesteld. Ook is geen sprake van bijzondere omstandigheden die een eerdere ingangsdatum rechtvaardigen.
De Centrale Raad van Beroep bevestigt daarom de eerdere uitspraken en wijst het hoger beroep af. Er wordt geen proceskostenveroordeling uitgesproken.
Uitkomst: De aanvraag om bijstand werd terecht buiten behandeling gesteld wegens het niet tijdig overleggen van bankafschriften; het hoger beroep wordt afgewezen.