ECLI:NL:CRVB:2019:2518
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging terugvordering bijstand na intrekking zonder dringende redenen
Appellante kreeg bijstand ingetrokken met ingang van 24 maart 2013 omdat zij niet feitelijk woonachtig was op het uitkeringsadres. Dit besluit werd in rechte onaantastbaar verklaard. Vervolgens vorderde het college van burgemeester en wethouders van Stein de kosten van bijstand over de periode van 24 maart 2013 tot en met 31 december 2014 terug tot een bedrag van €31.906,30.
De rechtbank verklaarde het beroep tegen deze terugvordering ongegrond. In hoger beroep betoogde appellante dat er dringende redenen zouden zijn om geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien. De Raad overwoog dat op grond van artikel 58 van Pro de Participatiewet het college verplicht is de ten onrechte ontvangen bijstand terug te vorderen, tenzij er dringende redenen zijn die onaanvaardbare sociale of financiële gevolgen voor de betrokkene opleveren.
Appellante heeft niet aannemelijk gemaakt dat dergelijke dringende redenen aanwezig zijn. De Raad bevestigt daarom de uitspraak van de rechtbank en wijst het hoger beroep af. Er is geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en de terugvordering van bijstand wordt bevestigd.