ECLI:NL:CRVB:2019:2538
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging beëindiging Ziektewetuitkering wegens geschiktheid voor arbeid
Appellante was werkzaam als productiemedewerkster en meldde zich ziek met vermoeidheidsklachten terwijl zij een WW-uitkering ontving. Het UWV kende haar een Ziektewetuitkering toe, maar beëindigde deze per 12 december 2016 na een medisch onderzoek door een verzekeringsarts die haar geschikt achtte voor haar laatst verrichte arbeid.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante tegen dit besluit ongegrond, waarbij werd geoordeeld dat het medisch onderzoek zorgvuldig was en de conclusie van de verzekeringsarts juist. In hoger beroep voerde appellante aan dat zij ernstige gezondheidsproblemen had, waaronder ME/CVS, POTS en SEID, met klachten als chronische vermoeidheid en concentratieproblemen.
De Centrale Raad van Beroep overwoog dat appellante geen nieuwe medische gegevens had overgelegd die haar stellingen ondersteunden. De Raad onderschreef de eerdere bevindingen dat er geen aanwijzingen waren voor een progressief ziektebeeld dat haar arbeidsongeschiktheid rechtvaardigde. Het UWV had op goede gronden de ZW-uitkering beëindigd, zodat het hoger beroep werd verworpen.
De Raad wees ook op het feit dat de fysieke belasting van het werk als inpakster niet extreem zwaar was en dat appellante de uren kon spreiden. Er was geen aanleiding voor proceskostenveroordeling. De uitspraak van de rechtbank werd bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de beëindiging van de Ziektewetuitkering bevestigd.