ECLI:NL:CRVB:2019:2584
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging besluit UWV over WIA-uitkering ondanks onjuiste medische grondslag
Appellante, werkzaam als juridisch medewerkster, viel uit wegens psychische en lichamelijke klachten en ontving een loongerelateerde WGA-uitkering. Na afloop hiervan kende het UWV haar een WGA-loonaanvullingsuitkering toe, gebaseerd op een arbeidsongeschiktheidspercentage van 55,05%.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante tegen dit besluit ongegrond, waarbij zij oordeelde dat het medisch en arbeidskundig onderzoek zorgvuldig en toereikend was uitgevoerd. Appellante stelde in hoger beroep dat de beperkingen in de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) onvoldoende rekening hielden met haar klachten.
De Raad liet zich adviseren door een deskundige die concludeerde dat appellante op de datum in geding een ernstiger psychische beperking had dan in de FML van 2015 was opgenomen. De FML werd daarop aangepast, maar de arbeidsdeskundige stelde vast dat de geselecteerde functies medisch gezien nog steeds geschikt waren en het arbeidsongeschiktheidspercentage gelijk bleef.
De Raad oordeelde dat hoewel de medische grondslag van het bestreden besluit niet juist was, het besluit niettemin in stand kon blijven omdat de juiste medische en arbeidskundige onderbouwing in hoger beroep was vastgesteld. Het UWV werd veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van appellante.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt het besluit van het UWV tot toekenning van een WIA-uitkering met een arbeidsongeschiktheidspercentage van 55,05%.