ECLI:NL:CRVB:2019:2638
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering WIA-uitkering wegens minder dan 35% arbeidsongeschiktheid
Appellante, laatstelijk werkzaam als verzorgende IG, heeft een WIA-uitkering aangevraagd na ziekmelding wegens lichamelijke klachten door een ongeval. Het UWV heeft medisch en arbeidskundig onderzoek laten verrichten, waaronder een beoordeling door een Duitse arts en een verzekeringsarts, die beperkingen vaststelden en verwerkten in een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML).
Op basis hiervan concludeerde het UWV dat appellante minder dan 35% arbeidsongeschikt was en weigerde de uitkering. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, oordelend dat het onderzoek zorgvuldig was en de beperkingen juist waren vastgesteld. Appellante voerde in hoger beroep aan dat haar beperkingen, mede door whiplash en PTSS, onvoldoende waren erkend en dat de functies niet passend waren.
De Centrale Raad van Beroep oordeelt dat het medisch onderzoek zorgvuldig is uitgevoerd en de beperkingen adequaat zijn meegenomen in de FML. De Raad onderschrijft het oordeel van de rechtbank dat appellante in staat is de functies te vervullen die aan de schatting ten grondslag liggen. Het hoger beroep wordt verworpen en de aangevallen uitspraak bevestigd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van de WIA-uitkering wegens minder dan 35% arbeidsongeschiktheid.