Appellant kreeg zijn bijstand met vertraging uitbetaald nadat het college van burgemeester en wethouders van Den Haag een besluit van bijstandsverlaging had genomen en later herroepen. Hij vorderde vergoeding van materiële schade vanwege extra rentekosten van een lening en immateriële schade wegens vernedering.
De rechtbank wees het verzoek af omdat de wettelijke rentevergoeding onder de drempel van €10,- bleef en geen sprake was van ernstige aantasting van persoonlijke levenssfeer of persoonlijkheidsrechten. In hoger beroep bevestigde de Centrale Raad van Beroep deze beslissing.
De Raad oordeelde dat de vergoeding van wettelijke rente alle schade door de vertraging dekt en dat het lenen van geld onvoldoende is voor immateriële schadevergoeding. Er was geen aanleiding voor proceskostenveroordeling.
De uitspraak bevestigt dat bestuursrechtelijke schadevergoedingsvorderingen aansluiten bij het civielrechtelijke schadevergoedingsrecht, waarbij alleen ernstige persoonlijke aantasting tot immateriële vergoeding leidt.