ECLI:NL:CRVB:2019:2734
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering nabestaandenuitkering wegens minder dan 45% arbeidsongeschiktheid
Appellante ontving een nabestaandenuitkering op grond van de Algemene nabestaandenwet (ANW). Na het bereiken van de achttiende verjaardag van haar jongste kind trok de Sociale Verzekeringsbank (Svb) de uitkering per 1 juli 2017 in, omdat appellante minder dan 45% arbeidsongeschikt zou zijn.
Appellante stelde dat zij wel arbeidsongeschikt was en dus recht had op de uitkering. De Svb handhaafde haar standpunt op basis van een advies van het UWV, dat stelde dat appellante minder dan 45% arbeidsongeschikt was. De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond en oordeelde dat het medisch onderzoek zorgvuldig was uitgevoerd en dat de geselecteerde functies passend waren.
In hoger beroep voerde appellante aan dat zij door lichamelijke en psychische klachten meer beperkt was en dat de geselecteerde functies onvoldoende verdiencapaciteit boden. De Raad volgde dit niet en bevestigde dat het medisch oordeel van de verzekeringsarts en de arbeidsdeskundige van het UWV deugdelijk was en dat er geen reden was tot twijfel. Ook wees de Raad het verzoek tot benoeming van een deskundige af.
De Centrale Raad van Beroep bevestigde daarmee de eerdere uitspraak en oordeelde dat appellante geen recht heeft op de nabestaandenuitkering omdat zij minder dan 45% arbeidsongeschikt is. De proceskostenveroordeling uit de rechtbank werd niet overgenomen.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van de nabestaandenuitkering omdat appellante minder dan 45% arbeidsongeschikt is.