ECLI:NL:CRVB:2019:2754
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beëindiging Ziektewetuitkering wegens geschiktheid voor maatgevende arbeid medewerkster wasserij
Appellante was werkzaam als medewerkster wasserij en meldde zich ziek met long- en psychische klachten. Het UWV beëindigde haar Ziektewetuitkering per 1 juni 2015 op grond van een medisch onderzoek en werkplekonderzoek, waarbij zij geschikt werd geacht voor haar maatgevende arbeid. De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond en oordeelde dat het medisch onderzoek zorgvuldig was en de belastbaarheid juist was ingeschat.
In hoger beroep stelde appellante dat het medisch onderzoek onzorgvuldig was en dat haar beperkingen, waaronder COPD en handbeperkingen, onvoldoende waren meegewogen. Zij betoogde dat zij niet geschikt was voor haar eigen werk en dat ten onrechte geen urenbeperking was aangenomen. Het UWV verwees naar een rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep die de belastbaarheid bevestigde.
De Raad overwoog dat de geschiktheid moet worden beoordeeld ten opzichte van de maatgevende arbeid bij een soortgelijke werkgever. Het UWV had aanvullend onderzoek gedaan naar vier functies binnen de wasserijsector met verschillende belastende factoren. De verzekeringsarts bezwaar en beroep concludeerde dat de belastende factoren minimaal waren en dat appellante ondanks haar COPD en rookgedrag geschikt was voor de werkzaamheden.
De Raad vond het standpunt van de verzekeringsarts zorgvuldig en overtuigend onderbouwd en bevestigde dat appellante terecht geschikt is geacht voor haar maatgevende arbeid. Het hoger beroep werd verworpen en de uitspraak van de rechtbank bevestigd. Het UWV werd veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van appellante.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en de beëindiging van de Ziektewetuitkering per 1 juni 2015 wordt bevestigd.