Appellante, voormalig wijkziekenverzorgende, kreeg aanvankelijk een WGA-uitkering wegens arbeidsongeschiktheid. Na beëindiging van deze uitkering meldde zij zich met toegenomen klachten. Het UWV weigerde een nieuwe WIA-uitkering toe te kennen omdat de toegenomen beperkingen volgens hen niet uit dezelfde ziekteoorzaak voortkwamen.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, maar in hoger beroep stelde de Raad vast dat het UWV niet buiten twijfel had gesteld dat de toegenomen beperkingen uit een andere ziekteoorzaak voortkwamen. Een door de Raad benoemde deskundige concludeerde dat de beperkingen aan de elleboog en schouder wel degelijk samenhangen met de eerdere aandoeningen.
De Raad vernietigde het bestreden besluit en beval het UWV een nieuwe beslissing te nemen met inachtneming van de juiste medische situatie zoals vastgesteld in de Functionele Mogelijkhedenlijst van oktober 2017. Daarnaast wees de Raad een schadevergoeding toe wegens overschrijding van de redelijke termijn en wees een deel van de proceskosten toe aan appellante.
Vergoeding voor immateriële schade wegens inbreuk op de persoonlijke levenssfeer werd afgewezen wegens onvoldoende bewijs van geestelijk letsel. Het beroep werd gegrond verklaard en het geschil wordt terugverwezen voor hernieuwde beoordeling.