ECLI:NL:CRVB:2019:2813
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging niet-ontvankelijkheid beroep en terugvordering ANW-uitkering met boete
Appellant ontving sinds oktober 2006 een wezenuitkering op grond van de Algemene nabestaandenwet (ANW), die na zijn 16e verjaardag werd voortgezet vanwege voltijds schoolgaan. Bij besluit van 17 juni 2016 werd de uitkering stopgezet omdat appellant niet langer volledig dagonderwijs volgde. Het bezwaar hiertegen werd ongegrond verklaard. Vervolgens vorderde de Sociale verzekeringsbank (Svb) een bedrag van €3.985,60 terug en legde een boete van €2.000,- op, welke bij bezwaar werd verlaagd tot €32,40.
De rechtbank verklaarde het beroep tegen het stopzettingsbesluit niet-ontvankelijk wegens niet-verschoonbare termijnoverschrijding en wees het beroep tegen de terugvordering en boete af. Appellant voerde in hoger beroep aan dat zijn psychische gesteldheid hem verhinderde tijdig beroep in te stellen en dat hij niet verwijtbaar handelde door het niet melden van het stoppen met school. Tevens stelde hij dat er dringende redenen waren om af te zien van terugvordering en boete.
De Raad oordeelde dat het psychisch rapport onvoldoende onderbouwde dat appellant gedurende de gehele beroepstermijn niet in staat was tijdig beroep te doen. Ook was vastgesteld dat appellant sinds 16 december 2015 geen onderwijs meer volgde en daarmee zijn inlichtingenplicht schond. De boete was passend gezien de omstandigheden en werd door de Svb substantieel verlaagd. De psychische gesteldheid vormde geen dringende reden om af te zien van terugvordering. Het hoger beroep werd afgewezen en de eerdere uitspraken bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en de eerdere uitspraken bevestigd; het beroep tegen het stopzettingsbesluit is niet-ontvankelijk en terugvordering met boete is terecht.