ECLI:NL:CRVB:2019:285

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
24 januari 2019
Publicatiedatum
30 januari 2019
Zaaknummer
17-3959 AOW
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 4:84 AwbAlgemene wet bestuursrechtbeleidsregel SB1076
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Herziening AOW-pensioen na onmiskenbaar onjuist besluit van de Sociale Verzekeringsbank

Appellante ontving in 2003 een besluit van de Sociale Verzekeringsbank (Svb) waarbij haar AOW-pensioen met 90% werd gekort vanwege vijf niet-verzekerde jaren. In 2015 erkende de Svb een fout: de korting had 10% moeten bedragen. De Svb herzag daarop het pensioen met terugwerkende kracht tot vijf jaar.

Appellante maakte bezwaar tegen deze beperkte herziening en vorderde volledige terugwerkende kracht vanaf 2003. De rechtbank verklaarde het bezwaar ongegrond omdat de Svb de beleidsregel SB1076 toepaste die een maximale herzieningstermijn van vijf jaar voorschrijft. Tevens werd benadrukt dat appellante zelf verantwoordelijk was voor het indienen van een tijdig bezwaar.

In hoger beroep betoogde appellante dat de zaak strafrechtelijk beoordeeld moest worden en dat volledige terugwerkende kracht vereist was. De Raad onderschreef het oordeel van de rechtbank, verwierp het strafrechtelijke betoog en bevestigde dat de Svb terecht niet verder terug was gegaan dan vijf jaar.

De Raad wees op de eigen verantwoordelijkheid van appellante om bezwaar te maken en dat haar culturele achtergrond en taalbeheersing dit niet rechtvaardigen om van het beleid af te wijken. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de herziening van het AOW-pensioen met terugwerkende kracht tot vijf jaar wordt bevestigd.

Uitspraak

17.3959 AOW

Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van
14 april 2017, 16/2333 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellante] te [woonplaats] (appellante)
de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (Svb)
Datum uitspraak: 24 januari 2019
PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft mr. E.W. van Voolen, advocaat, hoger beroep ingesteld.
De Svb heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 10 januari 2019. Appellante is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde en de heer [naam] . De Svb heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. O.F.M. Vonk.

OVERWEGINGEN

1.1.
Bij besluit van 9 juli 2003 heeft de Svb aan appellante met ingang van oktober 2003 een ouderdomspensioen ingevolge de Algemene Ouderdomswet (AOW) toegekend. Op het pensioen is een korting van 90% toegepast. In het besluit is deze korting als volgt gemotiveerd: “Voor ieder niet verzekerd jaar trekken wij 2% van het volledige
AOW-pensioen af. Omdat u 5 jaar niet verzekerd was, korten wij uw AOW-pensioen met 90%”.
1.2.
In november 2015 heeft de heer [naam] telefonisch contact met de Svb opgenomen over de hoogte van appellantes AOW-pensioen. Naar aanleiding daarvan heeft de Svb erkend dat het besluit van 9 juli 2003 onmiskenbaar onjuist was als gevolg van een fout van de Svb. Op het AOW-pensioen had een korting van 10% moeten worden toegepast in plaats van 90%.
1.3.
Bij besluit van 2 december 2015 heeft de Svb het ouderdomspensioen van appellante met een terugwerkende kracht van vijf jaar, dus vanaf november 2010, herzien naar 90% van het voor haar geldende pensioenbedrag. Bij beslissing op bezwaar van 31 maart 2016 (bestreden besluit) is het bezwaar tegen het besluit van 2 december 2015 ongegrond verklaard.
2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Daartoe is in aanmerking genomen dat de Svb ten aanzien van een verzoek om terug te komen van een onmiskenbaar onjuist rechtens onaantastbaar besluit beleidsregel SB1076 heeft ontwikkeld en dat de Svb onder toepassing daarvan terecht tot een herziening van het ouderdomspensioen met de maximumtermijn van vijf jaar is overgegaan. De rechtbank heeft geen aanleiding gezien voor de Svb om met toepassing van artikel 4:84 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) van dit beleid af te wijken. Daarbij is van belang dat de Svb weliswaar een onjuist besluit heeft genomen, maar dat het ook de verantwoordelijkheid is van appellante om in zo’n geval een bezwaarschrift in te dienen. De gevolgen van het niet indienen van een bezwaarschrift komen gedeeltelijk voor rekening en risico van appellante. De fout in het besluit van 9 juli 2003 was duidelijk te herkennen en het toegekende bedrag aan
AOW-pensioen was zo laag dat appellante zich had moeten afvragen of dit wel juist was. Dat appellante de Nederlandse taal onvoldoende machtig was om het toekenningsbesluit goed te begrijpen, maakt dit niet anders. Het had op de weg van appellante gelegen om hulp van een derde in te schakelen. Ook de gestelde omstandigheden dat appellante vanwege haar culturele achtergrond en schaamte niet sprak over haar financiën en dat zij erop vertrouwde dat wat de overheid doet juist is, zorgen er niet voor dat de Svb op grond van artikel 4:84 van Pro de Awb van zijn beleid had moeten afwijken.
3. Namens appellante is in hoger beroep aangevoerd dat de Svb de fout met volledige terugwerkende kracht had moeten herstellen. In aanvulling hierop is ter zitting betoogd dat de zaak vanuit de invalshoek van de strafrechter moet worden beoordeeld en niet vanuit het perspectief van de bestuursrechter.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1.
Niet in geschil is dat de Svb de beleidsregel SB1076 heeft toegepast. Tussen partijen is in geschil of de Svb op grond van artikel 4:84 van Pro de Awb ten voordele van appellante van zijn beleid had moeten afwijken en appellante vanaf oktober 2003 een herzien AOW-pensioen had moeten toekennen.
4.2.
Het oordeel van de rechtbank en de daaraan ten grondslag liggende overwegingen worden ten volle onderschreven.
4.3.
De Raad heeft geen juridische mogelijkheid, en ziet overigens ook geen aanleiding, om de zaak vanuit de invalshoek van de strafrechter te benaderen. Evenmin bestaat aanleiding om de vaste rechtspraak (zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Raad van 20 december 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:4196), waarin het beleid van de Svb ten aanzien van een verzoek om terug te komen van een onmiskenbaar onjuist rechtens onaantastbaar besluit door de Raad is aanvaard, te verlaten. Hoewel de Raad begrip kan hebben voor appellantes vertrouwen in instanties en voor haar schaamte om niet met anderen over haar financiële situatie te praten, kan dat niet afdoen aan de eigen verantwoordelijkheid van appellante om een bezwaarschrift in te dienen. De gevolgen van het nalaten hiervan komen deels voor rekening en risico van appellante. Hetgeen overigens in hoger beroep is aangevoerd, leidt niet tot een ander oordeel.
4.4.
Uit het voorgaande volgt dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.
5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door M.A.H. van Dalen-van Bekkum, in tegenwoordigheid van M.A.E. Lageweg als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op
24 januari 2019.
(getekend) M.A.H. van Dalen-van Bekkum
(getekend) M.A.E. Lageweg

JL