ECLI:NL:CRVB:2019:285
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Herziening AOW-pensioen na onmiskenbaar onjuist besluit van de Sociale Verzekeringsbank
Appellante ontving in 2003 een besluit van de Sociale Verzekeringsbank (Svb) waarbij haar AOW-pensioen met 90% werd gekort vanwege vijf niet-verzekerde jaren. In 2015 erkende de Svb een fout: de korting had 10% moeten bedragen. De Svb herzag daarop het pensioen met terugwerkende kracht tot vijf jaar.
Appellante maakte bezwaar tegen deze beperkte herziening en vorderde volledige terugwerkende kracht vanaf 2003. De rechtbank verklaarde het bezwaar ongegrond omdat de Svb de beleidsregel SB1076 toepaste die een maximale herzieningstermijn van vijf jaar voorschrijft. Tevens werd benadrukt dat appellante zelf verantwoordelijk was voor het indienen van een tijdig bezwaar.
In hoger beroep betoogde appellante dat de zaak strafrechtelijk beoordeeld moest worden en dat volledige terugwerkende kracht vereist was. De Raad onderschreef het oordeel van de rechtbank, verwierp het strafrechtelijke betoog en bevestigde dat de Svb terecht niet verder terug was gegaan dan vijf jaar.
De Raad wees op de eigen verantwoordelijkheid van appellante om bezwaar te maken en dat haar culturele achtergrond en taalbeheersing dit niet rechtvaardigen om van het beleid af te wijken. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de herziening van het AOW-pensioen met terugwerkende kracht tot vijf jaar wordt bevestigd.