Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CRVB:2019:2883

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
27 augustus 2019
Publicatiedatum
30 augustus 2019
Zaaknummer
17/7557 PW-PV
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • J.T.H. Zimmerman
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging intrekking en terugvordering bijstand wegens niet gemeld bezit onroerend goed

De zaak betreft het hoger beroep tegen een uitspraak van de rechtbank Noord-Holland over de intrekking van bijstand en terugvordering van kosten over de periode van 26 maart 2002 tot en met 20 mei 2003, vanwege het niet melden van eigendom van een appartement in Turkije.

Het college van burgemeester en wethouders van Alkmaar stelde dat appellante bij haar aanvraag op 24 april 2002 niet had gemeld dat zij eigenaar was van het appartement, dat in 2015 was getaxeerd op € 22.199,-. In hoger beroep stond alleen nog ter discussie of appellante aannemelijk had gemaakt dat de waarde van het appartement op het moment van de aanvraag lager was dan waar het college van uitging.

De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat appellante hierin niet slaagde. De overgelegde taxaties betroffen niet de waarde in 2002, en de overige stukken zoals de tapu senedi uit 1999 en de onroerend zaakbelasting uit 2002 hadden onvoldoende bewijskracht. De berekeningen van appellante werden niet gevolgd. Een deskundige benoemen werd niet noodzakelijk geacht. Omdat appellante haar inlichtingenverplichting had geschonden, lag de bewijslast bij haar.

Het hoger beroep werd afgewezen, evenals het verzoek om schadevergoeding in de vorm van wettelijke rente. Er werd geen aanleiding gezien voor een veroordeling in proceskosten.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en de intrekking en terugvordering van bijstand blijven in stand.

Uitspraak

17.7557 PW-PV

Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Holland van 27 oktober 2017, 16/5382 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[Appellante] te [woonplaats] (appellante)
het college van burgemeester en wethouders van Alkmaar (college)
Datum uitspraak: 27 augustus 2019
Zitting heeft: J.T.H. Zimmerman
Griffier: F.H.R.M. Robbers
De zaak is ter behandeling aan de orde gesteld op de zitting van 27 augustus 2019. Partijen zijn niet verschenen.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze beslissing is uitgesproken in het openbaar. Zij is gebaseerd op de volgende overwegingen.
Het bestreden besluit ziet op de intrekking van de bijstand van appellante over de periode van 26 maart 2002 tot en met 20 mei 2003 en de terugvordering van de over deze periode gemaakte kosten van bijstand tot een bedrag van € 17.064,20. Het college heeft hieraan ten grondslag gelegd dat appellante bij haar aanvraag van 24 april 2002 geen melding heeft gemaakt van de eigendom van een appartement in [plaatsnaam], Turkije. De waarde van dit appartement is op 14 januari 2015 getaxeerd op € 22.199,-.
In hoger beroep is enkel nog in geschil of appellante aannemelijk heeft gemaakt dat de waarde van het appartement op 24 april 2002 lager lag dan waar het college vanuit is gegaan. De rechtbank heeft terecht overwogen dat appellante hierin niet is geslaagd. De door appellante overgelegde taxaties zien niet op de waarde van het appartement op 24 april 2002. Verder komt aan de door appellante overgelegde tapu senedi uit 1999, de opgave onroerend zaakbelasting over het jaar 2002 en de destijds geldende wisselkoersen niet de bewijskracht toe die appellante hieraan wenst toe te kennen. Een tapu senedi is een uittreksel uit het eigendomsregister waarbij de gegevens worden aangedragen door vervreemder en verkrijger van de onroerende zaak en de onroerend zaakbelasting vindt plaats naar opgave van de belastingplichtige eigenaar die baat heeft bij vaststelling van een lage waarde. De door appellante gemaakte berekening aan de hand van de in deze stukken vermelde waardes wordt dan ook niet gevolgd.
Geen aanleiding bestaat om, zoals appellante heeft verzocht, een deskundige te benoemen voor de vaststelling van de waarde in 2002. Omdat appellante de inlichtingenverplichting heeft geschonden ligt op haar de bewijslast om de waarde aannemelijk te maken.
Omdat het hoger beroep niet slaagt, wordt ook het verzoek om schadevergoeding in de vorm van wettelijke rente afgewezen.
Voor een veroordeling in de vergoeding van proceskosten bestaat geen aanleiding.
Waarvan proces-verbaal.
De griffier Het lid van de enkelvoudige kamer
(getekend) F.H.R.M. Robbers (getekend) J.T.H. Zimmerman