ECLI:NL:CRVB:2019:2927
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Herstel kennelijke misslag bij vaststelling vervolguitkering WIA per 1 november 2014
Betrokkene ontving vanaf februari 2013 een loongerelateerde WGA-uitkering op grond van de Wet WIA, met een vastgestelde arbeidsongeschiktheid van circa 66,68%. In de loop van 2014 wijzigde de uitkering meerdere malen, waarbij de mate van arbeidsongeschiktheid werd vastgesteld op 70,34% en betrokkene in aanmerking kwam voor een vervolguitkering vanaf oktober 2014.
Na een melding van verslechtering van de gezondheidssituatie in november 2014 werd betrokkene opnieuw onderzocht. Het Uwv handhaafde in juni 2015 de hoogte van de uitkering en de mate van arbeidsongeschiktheid. Betrokkene maakte bezwaar tegen dit besluit, dat in februari 2016 ongegrond werd verklaard.
De rechtbank Amsterdam verklaarde het beroep van betrokkene gegrond en bepaalde dat hij per 1 november 2014 aanspraak maakte op een WGA-loonaanvullingsuitkering met een arbeidsongeschiktheid van 73,51%. Het Uwv stelde in hoger beroep dat deze beslissing onjuist was en dat betrokkene per die datum terecht een vervolguitkering ontving.
De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat de rechtbank een kennelijke misslag had gemaakt en herstelde deze door te bepalen dat betrokkene per 1 november 2014 terecht in aanmerking komt voor een vervolguitkering, berekend naar een arbeidsongeschiktheidsklasse van 65 tot 80%. De uitspraak van de rechtbank werd voor dit onderdeel vernietigd en vervangen door deze beslissing.
Uitkomst: Betrokkene komt per 1 november 2014 terecht in aanmerking voor een vervolguitkering WIA, berekend naar een arbeidsongeschiktheidsklasse van 65 tot 80%.