ECLI:NL:CRVB:2019:293
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging WGA-vervolguitkering na zorgvuldig medisch onderzoek en juiste functietoewijzing
Appellant, werkzaam als medewerker betoncentrale, viel in 2009 uit wegens gezondheidsklachten. Het UWV kende hem een loongerelateerde WGA-uitkering toe met een arbeidsongeschiktheid van 43%. Na een verzoek tot herbeoordeling in 2015 stelde het UWV het arbeidsongeschiktheidspercentage bij op 48,57%, later gewijzigd naar 53,44% na bezwaar, zonder gevolgen voor de uitkering.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond, stellende dat het medisch onderzoek zorgvuldig was en de verzekeringsartsen hun conclusies voldoende motiveerden. De rechtbank oordeelde dat er geen aanwijzingen waren voor ernstiger beperkingen en dat het bijduiden van functies binnen de oorspronkelijke SBC-code toegestaan is.
In hoger beroep voerde appellant aan dat het medisch onderzoek niet zorgvuldig was en dat de beperkingen onjuist waren vastgesteld. De Raad oordeelde echter dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep de beperkingen overtuigend had gemotiveerd en dat de functies passend waren toegewezen.
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de uitspraak van de rechtbank en wijst het hoger beroep af. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling van het UWV.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de juiste vaststelling van de WGA-vervolguitkering en wijst het hoger beroep af.