ECLI:NL:CRVB:2019:3003
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beëindiging WIA-uitkering na zorgvuldige medische en arbeidskundige beoordeling bevestigd
Appellant was werkzaam als medewerker buitendienst en viel in 2005 uit met psychische klachten. Het UWV kende hem een loongerelateerde WGA-uitkering toe, die later werd herbeoordeeld op verzoek van zijn ex-werkgever. Na een nieuw medisch onderzoek en arbeidskundige beoordeling besloot het UWV de WIA-uitkering per 5 oktober 2016 te beëindigen wegens minder dan 35% arbeidsongeschiktheid.
Appellant maakte bezwaar tegen dit besluit, maar het bezwaar werd ongegrond verklaard. De rechtbank Amsterdam verklaarde het beroep van appellant tegen het bestreden besluit eveneens ongegrond, omdat appellant geen nieuwe medische stukken had overgelegd en de arbeidsdeskundige voldoende had gemotiveerd dat de geselecteerde functies geschikt waren.
In hoger beroep herhaalde appellant zijn bezwaren, met name over lichamelijke klachten en beperkingen in aandacht en samenwerken. De Centrale Raad van Beroep oordeelde echter dat het medisch onderzoek zorgvuldig was uitgevoerd, dat de verzekeringsarts rekening had gehouden met alle klachten en dat de arbeidskundige beoordeling juist was. De geselecteerde functies zijn geschikt voor appellant, waardoor het hoger beroep wordt afgewezen.
De Raad bevestigt de aangevallen uitspraak en wijst het hoger beroep af, zonder aanleiding voor proceskostenveroordeling.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de beëindiging van de WIA-uitkering en wijst het hoger beroep af.