ECLI:NL:CRVB:2019:3013
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing WW-uitkering wegens niet voldoen aan wekeneis door onvoldoende arbeidsdagen
Appellante was werkzaam als zorgverlener voor haar nichtje en deed dit deels op basis van een opting-in regeling waarbij geen premies werden ingehouden. Zij vroeg een WW-uitkering aan per 20 januari 2017, maar het UWV wees dit af omdat zij niet voldeed aan de wekeneis van 26 weken in de 36 weken voorafgaand aan werkloosheid.
De rechtbank oordeelde dat appellante in de periode van 19 mei 2014 tot en met 31 augustus 2014 doorgaans minder dan vier dagen per week werkte, wat betekent dat deze periode niet als dienstbetrekking wordt beschouwd volgens artikel 6 WW Pro. Hierdoor kon deze periode niet meegeteld worden voor de wekeneis. Appellante voerde in hoger beroep aan dat zij gemiddeld 24 uur per week werkte en dat het UWV nader onderzoek had moeten doen, maar kon dit niet onderbouwen.
De Raad bevestigde dat de loonstroken een gemiddeld aantal van 2,8 dagen per week tonen en dat appellante onvoldoende bewijs leverde om dit te weerleggen. Ook werd geoordeeld dat zij geen Ziektewetuitkering ontving na haar ziekmelding. De Raad concludeerde dat appellante niet voldeed aan de wekeneis en bevestigde de afwijzing van de WW-uitkering.
Uitkomst: Appellante heeft geen recht op WW-uitkering omdat zij niet voldeed aan de wekeneis van 26 weken in de 36 weken voorafgaand aan werkloosheid.